Er is een moment waarop je denkt: ik ben eigenlijk nog verrassend mee.
Niet “mee voor mijn leeftijd”. Gewoon: mee. Punt.
Je weet hoe Spotify werkt. Je hebt ooit een QR-code gescand zonder te zuchten. Je hebt een emoji gebruikt zonder eerst te vragen of dat nog mag. En dan denk je: kijk eens aan, ik heb het nog.
Dat gevoel houdt zelden lang stand.
Want ergens, in een kamer vol jongeren, gaat op datzelfde moment een alarm af. Geen hoorbaar alarm, maar iets subtiels. Een collectieve rilling. Iemand zegt: “Mijn mama zit daar nu ook op.” En bam. Het is gedaan. Tijd om te verhuizen.
Zo gaat dat.
Neem Facebook. Ooit een broeihaard van jeugdige bravoure. Foto’s die nét te wazig waren om gênant te zijn. Statusupdates met grote woorden over kleine drama’s. Vriendschappen die ontstonden, eindigden en opnieuw begonnen in het tijdsbestek van een examenperiode.
En wij? Wij kwamen kijken. Eerst voorzichtig. We maakten een profiel “om contact te houden”. We voegden foto’s toe waarop we nog herkenbaar waren. We vonden het handig. En voor we het wisten, zaten we er. Massaal. Met commentaar. Met duiding. Met volledige zinnen.
“Leuke foto!”
“Waar is dat precies?”
“Geniet ervan!”
Dat was het moment waarop jongeren collectief besloten: Facebook is voor oudjes.
Niet omdat het slecht werd. Integendeel. Het werd overzichtelijk. Rustig. Betrouwbaar. Precies daarom werd het verdacht.
En dat patroon herhaalt zich. Altijd.
Instagram was eerst hun speeltuin. Wij kwamen “voor de foto’s”. TikTok was hun universum. Wij kwamen “uit nieuwsgierigheid”. WhatsApp was ooit spannend. Nu sturen wij er boodschappenlijstjes en foto’s van de hond.
Wij zijn geen trendsetters. Wij zijn trendafmakers. Zodra wij iets leuk vinden, is het eigenlijk al voorbij.
En dan is er dat heerlijke jeugdwoord: six seven. Of 6 7. Of iets daartussen. Niemand weet exact hoe je het schrijft, wat eigenlijk perfect past bij wat het betekent.
Het is een schouderophaling in taalvorm. Het is “maakt niet uit”, “laat maar”, “doe niet moeilijk”. Een woord dat weigert om energie te verspillen.
Wij boomagers horen dat en denken: briljant. Efficiënt. Dat had ons leven dertig jaar geleden al kunnen redden.
Maar stel je even voor dat wij het massaal beginnen te gebruiken.
Je zegt tegen je kind: “Het eten is wat later.”
Six seven.
De printer doet het niet.
Six seven.
De wereld staat in brand.
Six seven.
Je voelt het zelf ook: dat kan niet goed aflopen. Op het moment dat six seven in een boomagerzin opduikt, verliest het al zijn glans. Jongeren voelen dat. Ze ruiken dat. Dat woord is binnen de kortste keren besmet. Bij deze heb ik nu waarschijnlijk voorgoed voor ze verpest.
Dat is geen generatieconflict. Dat is een natuurlijke cyclus.
En toch, onder al dat geritsel van platforms en woorden, lijkt het verschil tussen jongeren en boomagers soms groter dan het is.
Zij willen vooruit.
Wij willen bijblijven.
Zij denken soms dat alles nog kan.
Wij weten dat dat soms klopt. En soms niet.
Zij zijn overtuigd.
Wij zijn dat ooit ook geweest.
Het verschil is niet dat zij roekeloos zijn en wij wijs. Het verschil is dat wij ondertussen weten dat overtuiging een houdbaarheidsdatum heeft. En dat bijna alles wat vandaag absoluut lijkt, morgen al wat rafels vertoont.
Wat jongeren vaak vergeten, is dat wij al heel wat hebben moeten bijleren. Niet één keer. Maar telkens opnieuw. Nieuwe technologie. Nieuwe omgangsvormen. Nieuwe verwachtingen. Wij zijn opgegroeid zonder internet, hebben het zien komen, zien ontsporen, zien professionaliseren en zien terugkrabbelen.
Dat maakt ons misschien soms traag. Maar niet dom. En zeker niet onwillig.
En eerlijk? Soms is het gewoon heerlijk om niet eens meer te proberen.
De wifi valt uit.
Je zucht niet eens. Je kijkt rond.
“Zeg,” zeg je tegen een jongere, “kun jij hier eens naar kijken?”
Je zou het misschien zelf nog wel kunnen oplossen. Met wat tijd. En een handleiding. En lichte ergernis. Maar waarom zou je?
Dat is geen luiheid. Dat is ervaring.
Ervaring is weten wanneer iets je energie waard is. En wanneer niet.
En jongeren? Die zijn veerkrachtig. Slim. Creatief. Ze slaan soms de bal mis, ja. Maar wij deden dat ook. Alleen stonden er toen minder camera’s bij.
Het valt eigenlijk best mee met hen. En met ons ook.
We verschillen van jongeren vooral in tempo. In hoeveelheid kaarsjes op de taart. In hoe snel we iets loslaten. Maar onder dat alles zitten dezelfde vragen. Dezelfde onzekerheden. Dezelfde drang om ergens bij te horen.
Wij komen eraan. Dat is waar.
En zij gaan weer weg.
Maar dat is geen strijd. Dat is een dans.
En we kennen de passen al.
















