HomeACTUEELOnuitgesproken

Onuitgesproken

Een Boomager-verhaal

Gerard wist niet precies wanneer hij had opgehouden de namen van zijn buren te onthouden. Vroeger had hij ze allemaal gekend, van de oude mevrouw De Smet die drie huizen verder woonde en elke vrijdag haar stoep schrobde tot het jonge koppel op de hoek dat intussen alweer gescheiden was. Er waren mensen gestorven, verhuisd en bijgekomen, kinderen waren volwassen geworden en hadden op hun beurt kinderen gekregen, maar zelf was hij al die tijd in hetzelfde huis blijven wonen. Drieëndertig jaar inmiddels, waarvan dertig naast Lisbeth.

Hij wist dat ze Lisbeth heette omdat haar naam op de brievenbus stond. Vermoedelijk wist zij om dezelfde reden dat hij Gerard heette, al had hij haar dat nooit persoonlijk verteld. In de voorbije dertig jaar hadden ze elkaar naar zijn ruwe schatting minstens drieduizend keer gezien, een indrukwekkend aantal voor twee mensen die nooit verder waren gekomen dan goedemorgen, goedenavond en één keer, toen het bijzonder hard sneeuwde, voorzichtig hé.

Ze was een jaar jonger dan hij. Dat wist hij toevallig omdat de postbode ooit een verjaardagskaart in de verkeerde brievenbus had gestoken en hij had gezien dat er een grote tweeënzestig op stond. Zelf was hij kort daarvoor drieënzestig geworden, een verjaardag die hij had gevierd met een goede fles rode wijn, een afhaalpizza en een herhaling van een documentaire over de geschiedenis van de personal computer. Hij had zich niet verveeld, tenminste, dat was wat hij zichzelf vertelde wanneer hij er achteraf aan terugdacht.

Gerard was computerspecialist. Niet zo eentje die op zijn tweeëntwintigste een bedrijfje was begonnen, miljoenen had verdiend en vervolgens op een tropisch eiland was gaan wonen, maar iemand die werkelijk wist hoe een computer er vanbinnen uitzag. Hij had zijn eerste programma’s geschreven toen een harde schijf nog een forse investering was en het internet niet meer dan een belofte voor een handvol enthousiastelingen.

Er was een tijd geweest dat mensen hem opbelden wanneer hun computer niet meer wilde starten en hij aan het geluid van de harde schijf kon horen wat er aan de hand was. Hij kende de geheimen van MS-DOS, had Windows zien opgroeien en was getuige geweest van de geboorte van het internet, dat hij aanvankelijk een aardige nieuwigheid had gevonden. Een professor die hij ooit had geholpen, had hem zelfs voorspeld dat computers op een dag met elkaar zouden kunnen praten. Gerard had zich toen afgevraagd waarover ze het in godsnaam zouden moeten hebben.

Tegenwoordig vroeg een klant hem of hij een AI-agent kon bouwen die automatisch facturen verwerkte, afspraken maakte en de voorraad beheerde. Gerard knikte dan bedachtzaam, noteerde wat de klant vertelde en zocht ’s avonds op wat er precies bedoeld werd. Hij voelde zich steeds vaker een mecanicien die een elektrische wagen moest herstellen met de gereedschapskist waarmee hij ooit aan een bromfiets had gesleuteld.

Hij was niet dom geworden. De wereld was alleen steeds minder bereid om op hem te wachten en hij had zelf ook niet altijd meer zin om erachteraan te hollen.

Zijn vrije tijd vulde hij met dingen die niet voortdurend om een update vroegen. Hij verzamelde oude radio’s, fotografeerde verlaten spoorweggebouwen en probeerde elke zondag een nieuw recept uit een vergeeld kookboek van zijn moeder. Op zolder stonden drie computers die volgens de huidige normen nergens meer goed voor waren, maar die hij af en toe opstartte om te genieten van hun vertrouwde gezoem. Soms speelde hij er een computerspelletje op dat hij in 1987 had gekocht, waarbij een mannetje een ladder moest beklimmen en onderweg vooral niet mocht nadenken.

In zijn woonkamer stond een groot aquarium met zes goudvissen. Oorspronkelijk waren het er acht geweest, maar twee hadden het tijdelijke verblijf in een plastic emmer tijdens de grote schoonmaak van enkele jaren geleden niet overleefd. Sindsdien behandelde Gerard het aquarium met een ernst die hij vroeger uitsluitend voor de computers van zijn belangrijkste klanten had gereserveerd.

Hij kende de temperatuur, controleerde de waterwaarden en besteedde verrassend veel tijd aan het vinden van het juiste merk vissenvoer. Gewone vlokken waren volgens hem niet goed genoeg. Hij had op een gespecialiseerd internetforum gelezen dat bepaalde soorten voer de kleuren van goudvissen beter tot hun recht lieten komen en was vervolgens verschillende winkels afgegaan op zoek naar een merk waarvan hij de naam telkens vergat, maar waarvan hij het groene deksel en de Japanse tekens op de verpakking uit het hoofd kende.

Zijn favoriete dier was een forse goudvis die altijd als eerste naar het oppervlak kwam zodra hij de kamer binnenstapte. Gerard noemde hem Napoleon, hoewel hij geen enkele zekerheid had dat het een mannetje was.

Daarnaast hield hij van thrillers, vooral van Harlan Coben, de Amerikaanse auteur die hem met grote regelmaat tot diep in de nacht wakker hield. Gerard bewonderde mensen die een verhaal konden opbouwen waarin elk detail uiteindelijk zijn plaats kreeg. In het echte leven bleek dat aanzienlijk moeilijker.

Lisbeth had Gerard ooit in zijn voortuin bezig gezien met een vreemd apparaat dat geluiden maakte en waarvan verschillende snoeren naar een openstaande garagepoort liepen. Ze had gedacht dat hij waarschijnlijk een radioamateur was of misschien zelfs iemand die contact probeerde te leggen met buitenaardse beschavingen. Omdat ze geen bijzondere belangstelling had voor een van beide mogelijkheden, was ze doorgelopen. Achteraf had ze zich nog even afgevraagd waarom iemand op een zaterdagochtend in zijn tuin aan een apparaat stond te prutsen terwijl het prachtig weer was.

Zelf had ze in haar jonge jaren een heel andere wereld ontdekt. Toen de fitnessrage in Vlaanderen op gang kwam, behoorde Lisbeth tot de eerste generatie enthousiaste beoefenaars. Ze herinnerde zich de videocassettes van Jane Fonda, de beenwarmers, de felgekleurde leggings en de uitgelaten muziek waarop hele groepen vrouwen synchroon hun armen en benen in de lucht gooiden. Ze had lessen gevolgd, cursussen gegeven en uiteindelijk een eigen fitnessstudio geopend in een voormalige toonzaal van een meubelwinkel.

Het waren prachtige jaren geweest. Ze had de overgang van aerobics naar spinning, bodypump, zumba en een onoverzichtelijke hoeveelheid andere bewegingsvormen meegemaakt. Elke nieuwe rage had ze omarmd, soms enthousiast, soms omdat klanten nu eenmaal iets nieuws wilden. Ze had ooit een hele nacht besteed aan het samenstellen van een muziekcassette waarop de nummers precies in elkaar overliepen. De volgende ochtend was haar cassettespeler vastgelopen en had ze de hele les moeten geven op de radio, waar toevallig een programma met Franse chansons werd uitgezonden. Het was achteraf een van haar leukste lessen geweest.

Ze had drie jaar geleden haar studio verkocht. De nieuwe eigenaar was een jonge man met een indrukwekkende verzameling tatoeages en een voorliefde voor termen als functional training, body transformation en personal coaching. Toen hij haar vroeg of ze interesse had om nog enkele uren per week les te geven, had ze vriendelijk bedankt.

Ze was uitgeput. Niet zozeer lichamelijk, hoewel haar rechterknie geregeld protesteerde, maar vooral door het idee dat iedereen voortdurend een betere versie van zichzelf moest worden. Er waren tijden geweest dat ze zich schuldig voelde wanneer ze op zondag een stuk taart at. Tegenwoordig nam ze er soms twee, al moest ze zichzelf daar in het begin nog een beetje toe dwingen.

Sindsdien wandelde ze. Niet om haar hartslag te verhogen of calorieën te verbranden, maar omdat ze graag wandelde. Ze bezocht rommelmarkten, verzamelde oude kookboeken en maakte collages van tijdschriftknipsels, foto’s en vergeelde toegangskaartjes. In haar kleine serre kweekte ze tomaten, met een wisselend succes dat haar aanzienlijk minder zorgen baarde dan vroeger haar maandelijkse ledenaantallen.

Op donderdag ging ze naar een keramiekatelier, waar ze bijzonder lelijke kommen maakte die niemand van haar hoefde te kopen. Ze vond het heerlijk. Een van haar eerste creaties gebruikte ze als fruitschaal, hoewel appels er voortdurend uit rolden omdat de bodem niet helemaal horizontaal was.

Ze had ook een kat, een rood-witte kater met de weinig originele naam Mozart. Het dier was ooit bij haar komen aanlopen en had na een inspectie van de woonkamer kennelijk besloten dat het er voortaan zou blijven wonen.

Mozart was kieskeurig, wat zijn voeding betreft zelfs buitengewoon kieskeurig. Hij weigerde de meeste merken kattenvoer en had de gewoonte een nieuw aangeboden maaltijd eerst uitvoerig te besnuffelen om vervolgens beledigd weg te lopen. Lisbeth had zich inmiddels neergelegd bij het feit dat ze voor haar kat aanzienlijk duurder voedsel kocht dan voor zichzelf. In de dierenspeciaalzaak enkele straten verder was ze een vaste klant geworden. Ze bestelde er een speciaal merk dat niet altijd voorradig was en waarvan de uitbater steevast beweerde dat het de week daarop geleverd zou worden.

De kat had geen boodschap aan leveringsproblemen. Wanneer zijn bakje niet gevuld was, bleef hij er demonstratief naast zitten tot zijn personeel begreep wat er van hem werd verwacht.

Ook Lisbeth had geen kinderen. Daarover was in haar leven veel gesproken, vooral door anderen. Eerst vroegen ze wanneer het zover zou zijn, later waarom het niet zover was gekomen en uiteindelijk hielden ze ermee op. Ze had een relatie van twaalf jaar achter de rug die zonder groot drama was geëindigd. Haar voormalige partner woonde inmiddels in Spanje met een vrouw die veel jonger was en twee volwassen zonen had.

Lisbeth had er geen spijt van dat ze alleen woonde. Toch betrapte ze zich er soms op dat ze tijdens het koken hardop commentaar gaf op wat ze aan het doen was, gewoon om een stem te horen die niet uit de televisie kwam. Mozart antwoordde meestal door zich uitgebreid te wassen, een bezigheid waarbij hij het onderste deel van zijn rug moeilijk kon bereiken en bijgevolg steeds een bijzonder ongemakkelijke houding aannam.

Op dinsdag gingen ze allebei boodschappen doen in dezelfde supermarkt zonder dat ze dat van elkaar wisten. Gerard koos meestal een winkelkarretje, ook wanneer hij niet meer nodig had dan een brood en een pot mosterd. Lisbeth nam steevast een mandje, zelfs wanneer ze achteraf moest constateren dat haar boodschappen er onmogelijk allemaal in pasten.

Ze kruisten elkaar soms, heel soms, bij de groenten. Hij kocht de voorverpakte sla, zij koos zorgvuldig haar eigen exemplaar uit. Hij nam de goedkoopste tomaten, zij bestudeerde de herkomst en kocht vervolgens toch degene die er het lekkerst uitzagen. Ze had een bijzondere hekel aan tomaten die naar niets smaakten, iets wat ze overigens ook van veel televisiepresentatoren vond.

Wanneer hun blikken elkaar ontmoetten, knikten ze.

‘Goeiemorgen’, zei hij dan, waarop zij hetzelfde antwoordde, soms vergezeld van een vluchtige glimlach die verdween zodra ze zich opnieuw over de groenten boog. Daar bleef het bij. Het was een ritueel geworden dat geen van beiden nog in vraag stelde.

Een keer stonden ze vlak achter elkaar aan de kassa. Gerard had een fles wijn, een zak aardappelen, twee stukken zalm en een pak keukenpapier bij zich. Lisbeth had zich afgevraagd voor wie hij die twee stukken zalm kocht, maar bedacht dat hij ze wellicht gewoon in de diepvries zou bewaren.

Gerard had op zijn beurt de verse basilicum en de twee courgettes in haar mandje opgemerkt. Hij overwoog haar te vertellen dat hij de avond voordien een uitstekende courgettesoep had gemaakt. Het was een volkomen onschuldige mededeling, maar tegen de tijd dat hij een geschikte openingszin had gevonden, was de kassierster al aan zijn zalm begonnen.

Hij had afgerekend en was vertrokken, waarna Lisbeth nog even naar zijn rug had gekeken en zich had afgevraagd of de man eigenlijk ooit iets anders droeg dan een blauwe of grijze jas.

In de dierenspeciaalzaak kwamen ze elkaar nooit tegen.

Gerard ging er steevast op maandagvoormiddag langs, omdat het dan bijzonder rustig was en hij uitgebreid met de uitbater over zijn goudvissen kon praten. Lisbeth bezocht de winkel op vrijdag, meestal na de middag, wanneer ze van de markt kwam. De uitbater kende hen allebei bij naam en vond het enigszins vermakelijk dat de ene klant uitsluitend geïnteresseerd was in exotisch vissenvoer en de andere zich zorgen maakte over een kater die kennelijk alleen bereid was te eten wat in kleine, buitensporig dure zakjes werd verkocht.

Geen van beiden wist dat de andere er klant was. De winkel had overigens een aquarium waarin drie slaperige vissen rondzwommen die Gerard telkens meewarig bekeek omdat hij vond dat de eigenaar er onvoldoende aandacht aan besteedde.

Hun avonden verliepen volgens een vast patroon. Gerard at omstreeks halfzeven, keek naar het nieuws en zocht vervolgens op televisie naar iets wat hem interesseerde. Hij had een zwak voor humaninterestprogramma’s, vooral wanneer gewone mensen de kans kregen hun verhaal te vertellen zonder dat er voortdurend iemand tussendoor riep hoe ontroerend het allemaal wel was. Lisbeth had dezelfde voorkeur. Ze keek graag naar programma’s waarin mensen opnieuw contact zochten met familieleden, een vergeten droom probeerden waar te maken of na tientallen jaren terugkeerden naar een plaats die ooit belangrijk voor hen was geweest.

Soms keken ze op dezelfde avond ook naar een aflevering van Huis Gemaakt op VTM GO. Gerard ergerde zich aan de onhandige elektriciteitswerken en voorspelde bij elke verbouwing dat er achter de muren veel ellende verborgen zat. Lisbeth bestudeerde vooral de inrichting en vroeg zich af waarom jonge mensen tegenwoordig zo veel geld wilden uitgeven aan badkamers die eruitzagen als operatiezalen.

Ze hadden allebei ook afleveringen van Het huis bekeken, vaak met vertraging, omdat ze het prettig vonden zelf te kunnen bepalen wanneer ze televisie keken. Gerard had bij een bijzonder aangrijpend levensverhaal ooit een halve doos zakdoeken nodig gehad, iets wat hij achteraf niet graag toegaf. Lisbeth bekeek zulke gesprekken soms opnieuw en herkende in de verhalen van anderen kleine stukjes van haar eigen leven.

Ze zaten op nauwelijks zes meter van elkaar, elk in hun eigen woonkamer, met tussen hen twee muren, een smalle gang en dertig jaar beleefde afstand. Geen van beiden had daar ooit over nagedacht. Er waren nu eenmaal dingen waarover je niet nadacht zolang niemand je een reden gaf om dat wel te doen.

Het begon met een pakketje. Op een regenachtige donderdagmiddag vond Gerard bij thuiskomst twee kartonnen dozen voor zijn deur. De ene droeg zijn naam, de andere was bestemd voor Lisbeth, huisnummer 18. Hij woonde op nummer 16.

Gerard bekeek de doos, keek naar het huis naast hem en overwoog even om het pakketje gewoon op haar dorpel te leggen. Dat zou de eenvoudigste oplossing zijn. Toch vond hij het onverstandig om een bestelling in de regen achter te laten, zeker omdat de onderkant van de doos al vochtig begon te worden.

Hij drukte op de deurbel. Er gebeurde niets, behalve dat ergens achter het raam een rood-witte kat verscheen die hem met een uitgesproken gebrek aan belangstelling aankeek.

Gerard drukte nog eens en hoorde vervolgens achter de voordeur een doffe bons, gevolgd door het geluid van iets dat over de vloer werd geschoven.

Lisbeth deed open in een oude joggingbroek en een sweater waarop in verbleekte letters NO PAIN, NO GAIN stond. In haar rechterhand hield ze een aardewerken kom die een opvallende gelijkenis vertoonde met een scheefgezakte bloempot. Ze keek verbaasd naar haar buurman.

‘Ah. Goeiemiddag’, zei ze, waarna Gerard haar het pakketje overhandigde en vertelde dat het bij hem voor de deur was achtergelaten.

Lisbeth bestudeerde het etiket en glimlachte.

‘Mijn boek. Ik vroeg me al af waar het bleef.’

‘Boek?’

‘Ja, ik heb het tweedehands besteld. Niet meer overal te vinden in de uitvoering die ik wilde.’

Ze draaide het pakketje om en begon de plakband los te trekken. Gerard wilde net iets zeggen over het weer, maar toen verscheen het boek.

Ik mis je.

Harlan Coben.

Gerard keek naar de omslag en vervolgens naar zijn buurvrouw.

‘Leest u Coben?’

Lisbeth keek op en knikte. Toen hij vertelde dat hij bijna al zijn boeken had gelezen en dit exemplaar zelfs drie keer, verscheen er een glimlach op haar gezicht die hij nog nooit eerder had gezien.

‘Ik ook. Mijn exemplaar is tijdens een vakantie verloren gegaan. Ik wilde hetzelfde terug, met die omslag. Een beetje belachelijk misschien.’

‘Helemaal niet. De nieuwe uitgaven zijn soms verschrikkelijk.’

‘Dat vind ik dus ook!’

Er viel een stilte. Niet de vertrouwde stilte waarin ze elkaar doorgaans achterlieten, maar een andere, gevuld met de verrassende vaststelling dat ze plotseling iets gemeen hadden.

Lisbeth draaide het boek om en streek met haar hand over de omslag.

‘Weet u wat ik bij Coben zo goed vind? Dat je altijd denkt dat je weet hoe het zit en dat je dan op het einde toch weer helemaal verkeerd blijkt te zitten.’

Gerard lachte.

‘Ik probeer sinds jaren zijn trucs te doorgronden. Nog nooit gelukt, al heb ik bij één boek wel vrij vroeg geraden wie de dader was. Mijn moeder vond dat destijds zo vervelend dat ze me verbood er nog iets over te zeggen.’

‘Dat is toch net het plezier? Dat je het niet weet?’

‘Waarschijnlijk wel.’

Hij merkte dat ze bruine ogen had. Dat was merkwaardig. Hij had dertig jaar naast deze vrouw gewoond en wist tot enkele seconden geleden niet eens welke kleur haar ogen hadden.

Lisbeth bekeek hem op haar beurt iets aandachtiger. Ze had hem altijd een wat stijve man gevonden, iemand die vermoedelijk met plezier handleidingen las. Nu stond hij voor haar deur met natte haren en een glimlach die ze nooit eerder had gezien. Het viel haar ook op dat hij een aangename stem had, zacht en een beetje aarzelend, al had ze in haar leven al ontelbare keren zijn goedemorgen gehoord.

Mozart verscheen tussen haar benen en begon uitvoerig aan Gerards schoenen te ruiken.

‘Dat is Mozart’, zei ze. ‘Hij denkt dat iedereen iets voor hem meebrengt.’

‘Een mooie kat. Ik heb zelf goudvissen, maar die komen niet kijken als er iemand aanbelt.’

Ze moesten er allebei om lachen. Lisbeth vroeg hoeveel goudvissen hij had en Gerard vertelde er zes te bezitten, waarvan er eentje Napoleon heette en zich gedroeg alsof het hele aquarium zijn persoonlijke eigendom was.

‘Dan hebben we allebei een dictator in huis’, besloot Lisbeth, terwijl Mozart inmiddels zijn belangstelling voor de schoenen had verloren en met opgeheven staart naar de keuken wandelde.

Ze hadden nog even over de dieren kunnen doorpraten, of over Coben, of desnoods over het weer, dat intussen opnieuw verslechterde. Maar dertig jaar gewoonte liet zich niet in enkele minuten overwinnen en geen van beiden wist goed hoe het gesprek verder moest.

‘Wel, bedankt voor het pakketje’, zei Lisbeth uiteindelijk, waarop Gerard antwoordde dat hij het zonde zou hebben gevonden wanneer een boek van Coben in de regen was blijven liggen.

Ze lachte opnieuw en deed de deur dicht.

Gerard bleef nog even staan. Hij was zo verrast door het gesprek dat hij vergat zijn eigen pakketje mee naar binnen te nemen.

Die avond las Lisbeth niet. Ze legde het boek op de salontafel, zette koffie en dacht aan de buurman. Niet op een romantische manier, vond ze zelf, maar uit nieuwsgierigheid. Dertig jaar lang had ze hem beschouwd als een onderdeel van de straat, ongeveer zoals de lantaarnpaal tegenover haar woning, die er ook altijd had gestaan zonder dat ze er veel aandacht aan besteedde.

Eigenlijk wist ze niets van hem. Niet waar hij werkte, of hij familie had, waarom hij alleen woonde en wat hij met al die oude apparaten in zijn garage uitvoerde. Ze had hem nooit met een vrouw gezien, al zei dat natuurlijk weinig. Haar eigen vroegere partner had Gerard vermoedelijk ook nauwelijks gekend.

Op televisie begon een humaninterestprogramma over een man die na zijn pensionering een oude schoolbus had omgebouwd tot een rijdende bibliotheek. Hij reed ermee naar afgelegen dorpen en leende boeken uit aan mensen die niet meer gemakkelijk in een bibliotheek geraakten. De man vertelde met een ontwapenende vanzelfsprekendheid dat hij aanvankelijk vooral iets zocht om de dagen door te komen, maar dat de mensen voor wie hij boeken meebracht hem inmiddels minstens evenveel plezier bezorgden als omgekeerd.

Lisbeth vond het een prachtig initiatief. Ze had zelf ooit overwogen om vrijwilligerswerk in een woonzorgcentrum te doen, maar was er om allerlei redenen niet toe gekomen. Eerst had ze het druk gehad met de fitnessstudio, daarna moest ze bekomen van die drukte en vervolgens was het voornemen ergens onder een stapel tijdschriften verdwenen. Naast haar zat niemand aan wie ze kon vertellen hoe mooi ze het vond.

Gerard keek naar hetzelfde programma. Hij vond vooral de technische inrichting van de bus interessant, maar toen de man vertelde dat hij het deed omdat hij na de dood van zijn vrouw de stilte in zijn huis niet meer kon verdragen, merkte Gerard dat hij niet meer naar de bedrading keek.

Na afloop zette hij de televisie af. Hij nam zijn eigen exemplaar van Ik mis je uit de boekenkast en legde het op tafel. Daarna liep hij naar het aquarium en strooide een kleine hoeveelheid voer op het water, hoewel Napoleon en de andere vissen die avond al hadden gegeten. Ze stortten zich erop met een gulzigheid die hij bij zichzelf nog maar zelden vaststelde.

Vervolgens deed hij iets wat hij in geen dertig jaar had gedaan. Hij dacht na over een reden om bij zijn buurvrouw aan te bellen.

De volgende ochtend troffen ze elkaar bij de brievenbussen. Lisbeth droeg een felgroene regenjas en had haar haar in een paardenstaart gebonden. Gerard was op weg naar de bakker en had een boodschappentas bij zich waarop een reclameboodschap voor een computerbeurs uit 1998 stond.

‘Goeiemorgen’, zei hij, waarop ze hem eveneens goedemorgen wenste, maar ditmaal niet onmiddellijk verder wandelde.

‘Hebt u dat gisteren gezien? Die man met zijn bibliotheekbus op televisie?’

Zijn gezicht klaarde op.

‘Ja! Ongelooflijk toch? Ik zat me wel af te vragen hoe hij die elektriciteit had aangelegd, want er stonden verschillende computers in die bus en dat leek me toch niet zo eenvoudig.’

‘Ik vond vooral mooi wat hij zei over zijn vrouw.’

Gerard knikte. Dat had hem ook geraakt, bekende hij, al gaf hij toe dat hij aanvankelijk vooral naar de inrichting van de bus had gekeken.

‘Kijkt u dikwijls naar dat soort programma’s?’ vroeg Lisbeth, waarop Gerard vertelde dat hij er een zwak voor had en dat hij ook graag naar programma’s over verbouwingen keek.

‘Huis Gemaakt bijvoorbeeld?’

‘Precies. Al vraag ik me soms af wat die mensen in godsnaam aan het doen zijn. Ze breken een muur uit en kijken pas achteraf of die belangrijk was.’

Lisbeth begon te lachen.

‘Ik erger me meer aan al dat beige. Tegenwoordig moet blijkbaar elk huis eruitzien alsof er nog nooit iemand in gewoond heeft.’

Gerard lachte harder dan de opmerking verdiende. Misschien kwam het doordat hij het niet gewend was om ’s morgens voor zijn eigen voordeur plezier te hebben. Ze bleven nog even praten, over verbouwingen, het slechte weer en over een aflevering van Het huis die ze toevallig allebei gezien hadden. Toen Gerard merkte dat hij zijn boodschappentas nog altijd vasthield, keek hij even op zijn horloge.

‘Ik moet eigenlijk naar de bakker.’

‘En ik ga wandelen.’

‘Een flinke wandeling?’

‘Dat hangt van mijn knie af.’

‘Dat ken ik. Bij mij is het de rug.’

Ze wisselden een blik van verstandhouding, het soort blik dat mensen van hun leeftijd elkaar gaven wanneer ze ontdekten dat hun lichaam zich niet langer uitsluitend naar hun wensen schikte. Daarna gingen ze ieder hun eigen weg. Maar Gerard draaide zich na enkele meters om en riep haar naam, waarop Lisbeth bleef staan en vragend naar hem keek.

‘Ik ben Gerard’, zei hij, met het ongemakkelijke gevoel dat hij zijn naam misschien al veel eerder had moeten vermelden.

Ze keek hem een ogenblik aan. Vervolgens begon ze zo hartelijk te lachen dat hij zelf ook moest lachen.

‘Dat weet ik, Gerard. Al dertig jaar.’

De dagen daarna veranderde er weinig. Gerard stond nog altijd vroeg op, controleerde zijn e-mails en vloekte binnensmonds wanneer een softwareprogramma alweer een nieuwe interface had gekregen. Lisbeth wandelde, ging naar haar keramiekatelier en voerde Mozart, die op een bepaald moment had ontdekt dat hij vanuit het slaapkamerraam op het platte dak van de garage kon springen en vandaar een uitstekend uitzicht had op de hele straat.

Alleen groetten ze elkaar voortaan iets langer.

Een goedemorgen werd een vraag over het weer, een vraag over het weer werd een opmerking over het boek dat Lisbeth aan het lezen was. Gerard vertelde dat hij ooit een programma had geschreven waarmee een plaatselijke bibliotheek haar uitleensysteem beheerde. Lisbeth vertelde dat ze vroeger een fitnessstudio had gehad.

‘Fitness?’ zei Gerard. ‘Dat had ik nooit gedacht.’

‘Waarom niet?’

‘Geen idee. Ik heb u eigenlijk nooit ergens mee bezig gezien.’

‘Ik u ook niet. Behalve met die machines in uw garage.’

Gerard legde uit dat het oude computers waren die hij verzamelde, dat de meeste nog werkten en dat hij er bijzonder aan gehecht was. Toen Lisbeth vroeg waarom hij ze bewaarde, moest hij even nadenken voor hij antwoord gaf.

‘Omdat ik ze begrijp.’

Ze keek hem aan. Ze hoorde iets in zijn antwoord dat verder ging dan een voorliefde voor verouderde elektronica, maar ze kende hem nog niet goed genoeg om ernaar te vragen.

In plaats daarvan vertelde ze over haar keramiek. Over de kommen die maar niet rond wilden worden, over de glazuren die soms een andere kleur kregen dan ze had verwacht en over het genoegen iets te maken waarvan je het resultaat niet vooraf kende.

‘Dat zou niets voor mij zijn’, zei Gerard.

‘Waarom niet?’

‘Ik wil graag dat iets doet wat ik verwacht.’

‘Dan moet u zeker eens meekomen.’

Hij schoot in de lach en beloofde dat hij het zou overwegen, wat voor Gerard een aanzienlijk grotere toezegging was dan Lisbeth op dat moment kon vermoeden.

Twee weken na het verkeerd bezorgde pakketje vond Lisbeth een envelop in haar brievenbus.

Er stond geen postzegel op. Alleen haar naam, geschreven in een enigszins hoekig handschrift dat haar deed denken aan de letters op ouderwetse computerschermen.

Binnenin zat een blad papier. Gerard had een lijst gemaakt van zes thrillers van Harlan Coben die hij bijzonder goed vond. Naast elke titel had hij enkele zinnen geschreven, zorgvuldig zonder de ontknoping te verklappen.

Onderaan stond:

Misschien hebt u ze allemaal al gelezen. In dat geval mag u gerust terugschrijven welke ik volgens u vergeten ben.

Lisbeth glimlachte. Ze nam een pen en schreef op de achterkant van het blad dat hij er minstens vier vergeten was en dat zijn nummer drie bovendien veel te hoog stond. Daaronder voegde ze eraan toe dat ze het hem wel eens zou komen uitleggen, want dat sommige dingen nu eenmaal niet op papier konden worden afgehandeld.

Ze wandelde naar buiten en wilde de envelop in zijn brievenbus steken, maar toen kreeg ze een beter idee.

Ze belde aan. Gerard deed vrijwel onmiddellijk open. Hij droeg een geruit hemd en had een kleine schroevendraaier in zijn hand.

‘Ah, Lisbeth.’

‘Ik kom reclameren.’

Ze hield het blad omhoog. Gerard bekeek haar opmerkingen en glimlachte toen hij zag dat ze zijn favoriete thriller van de derde naar de zesde plaats had verwezen.

‘Daar gaan we het niet over eens worden, vrees ik.’

‘Dat zullen we nog wel zien. Hebt u even tijd?’

Gerard keek achterom naar zijn werktafel, waarop de opengeschroefde behuizing van een oude Commodore lag. Hij dacht aan de klantenmails die nog beantwoord moesten worden, aan zijn boodschappenlijstje en aan het feit dat hij altijd rond dit uur koffie dronk.

‘Ja’, zei hij. ‘Eigenlijk wel.’

Ze stapte naar binnen.

Lisbeth had gedacht dat zijn woning vol computers zou staan. Dat bleek niet het geval. Er stonden boeken, veel boeken, een grote houten tafel en een verzameling oude radio’s die op een lage kast waren uitgestald. Aan de muur hingen zwart-witfoto’s van stationsgebouwen, spoorlijnen en verlaten perrons.

‘Hebt u die zelf gemaakt?’ vroeg ze, terwijl ze naar een foto keek van een verlaten stationnetje waarop een fiets tegen een muur stond.

Gerard knikte en vertelde dat hij oude spoorweginfrastructuur fotografeerde. Het was volgens hem een nogal vreemde hobby, maar Lisbeth vond het helemaal niet vreemd en vertelde dat ze zelf oude kookboeken verzamelde en kommen maakte die niemand wilde hebben.

Ze bleef voor het aquarium staan. Napoleon zwom onmiddellijk naar de voorruit, gevolgd door twee kleinere goudvissen die volgens Gerard nog nooit een eigen initiatief hadden genomen.

‘Die grote is Napoleon’, vertelde hij. ‘Hij denkt dat alles van hem is.’

‘Net Mozart dus.’

Ze bekeken de vissen en Lisbeth vroeg of het veel werk was om ze te verzorgen. Gerard begon een uitleg over waterfilters, temperatuur en de kwaliteit van het voer, maar onderbrak zichzelf toen hij merkte dat hij inmiddels al bijna vijf minuten over het spijsverteringsstelsel van goudvissen aan het praten was.

‘Ik kan daar nogal in opgaan, vrees ik.’

‘Dat geeft niet. Ik ben al maanden op zoek naar het juiste eten voor mijn kat. Tegenwoordig koop ik een speciaal merk dat alleen in die dierenspeciaalzaak bij het kruispunt te krijgen is.’

Gerard keek op.

‘Die winkel waar altijd een grote papegaai bij de kassa zit?’

‘Ja, die! Een verschrikkelijk beest. Hij roept altijd hallo wanneer ik net buiten ben.’

‘Dan gaan we naar dezelfde winkel. Ik haal daar mijn vissenvoer, maar dat is ook altijd een heel gedoe. Ze hebben nooit het merk dat ik wil.’

Lisbeth vertelde dat zij er op vrijdagmiddag kwam, terwijl Gerard uitlegde dat hij steevast op maandagvoormiddag ging omdat er dan minder volk was. Ze probeerden zich allebei te herinneren of ze de ander ooit in die winkel hadden gezien, maar kwamen tot de conclusie dat hun wegen zich ook daar nooit hadden gekruist.

‘We wonen dertig jaar naast elkaar, we lezen dezelfde boeken, kijken naar dezelfde programma’s en gaan naar dezelfde dierenwinkel’, stelde Lisbeth vast. ‘En we hebben nog nooit een fatsoenlijk gesprek gehad.’

Gerard keek naar Napoleon, die met grote ogen naar hen staarde.

‘Misschien hadden we goudvissen moeten zijn. Dan hadden we elkaar tenminste af en toe gezien.’

Lisbeth lachte. Daarna gingen ze aan tafel zitten en schonk Gerard koffie in, die hij veel te sterk had gezet omdat hij bij het vullen van het apparaat een schepje te veel had genomen.

Ze begonnen over Coben. Het gesprek ging vervolgens over boeken in het algemeen, over televisie, over vakanties, over ouder worden en over het eigenaardige verschijnsel dat mensen steeds meer manieren hadden om met elkaar te communiceren en daar steeds minder in slaagden.

Gerard vertelde over zijn werk. Hij sprak over de eerste computers, over de opwinding toen alles nog nieuw was en over de vermoeidheid die hem tegenwoordig overviel wanneer hij alweer een nieuwe technologie moest leren kennen.

‘Ik heb mijn hele leven geprobeerd mee te zijn’, zei hij. ‘En nu heb ik voor het eerst het gevoel dat ik achterloop.’

Lisbeth roerde in haar koffie.

‘Ik moest vroeger elke zes maanden iets nieuws aanbieden. Een andere les, andere muziek, een nieuwe methode. Mensen waren nooit tevreden met wat ze al konden. Het moest altijd meer, sneller, strakker.’

‘En nu?’

‘Nu maak ik scheve kommen.’

Ze lachten en Lisbeth vertelde dat ze tegenwoordig ook weer af en toe naar haar oude fitnessmuziek luisterde, maar dan uitsluitend tijdens het poetsen. Ze had nog een paar videocassettes van Jane Fonda liggen, al bezat ze geen apparaat meer waarmee ze die kon afspelen.

Gerard keek op.

‘Ik heb nog een videorecorder. Die werkt zelfs nog.’

‘Meent u dat?’

‘Natuurlijk. Ik heb hem vorig jaar helemaal uit elkaar gehaald en opnieuw in elkaar gestoken.’

Ze schoten allebei in de lach bij het vooruitzicht dat ze ooit samen een fitnessvideo uit de jaren tachtig zouden bekijken, waarbij Gerard onmiddellijk duidelijk maakte dat hij niet van plan was de oefeningen mee te doen.

‘Dat zullen we nog wel zien’, zei Lisbeth, die vroeger bijzonder bedreven was geweest in het overtuigen van mannen die beweerden dat fitness niets voor hen was.

Gerard vroeg of ze kinderen had. Ze schudde haar hoofd en vroeg hetzelfde aan hem. Ook hij had er geen. Bij Lisbeth was het nooit gelukt op een manier waarover ze inmiddels zonder verdriet kon spreken, bij Gerard was het leven eenvoudigweg nooit in die richting gegaan. Hij had enkele relaties gehad, maar zijn werk en de langdurige zorg voor zijn moeder hadden jarenlang het grootste deel van zijn tijd opgeëist.

Ze vertelden elkaar geen droevige verhalen om medelijden op te wekken. Ze constateerden alleen dat er in hun levens verschillende deuren nooit waren opengegaan en dat ze andere wegen hadden gekozen zonder altijd te beseffen dat het keuzes waren.

‘Ik heb eigenlijk nooit veel last gehad van alleen zijn’, zei Gerard.

‘Ik ook niet.’

Ze dachten allebei even na. Gerard vertelde dat hij vroeger tijdens het eten geregeld tegen zijn moeder had zitten praten, ook wanneer ze op het einde niet altijd meer begreep wat hij vertelde. Hij miste dat soms, bekende hij, vooral wanneer hij iets had meegemaakt wat hij de moeite vond om te vertellen.

‘Ik zou soms gewoon willen zeggen wat ik op televisie heb gezien’, voegde hij eraan toe. ‘Zonder eerst iemand te moeten opbellen.’

Lisbeth keek op.

‘Dat heb ik dus ook.’

Ze dronken van hun koffie en keken allebei naar het exemplaar van Ik mis je dat op de salontafel lag. Buiten reed een wagen voorbij met veel te luide muziek, waarna de straat opnieuw stil werd en ergens in het aquarium een klein belletje naar het wateroppervlak steeg.

Tegen de tijd dat Lisbeth opstond, was het bijna zeven uur.

‘Verdorie’, zei ze. ‘Ik moest eigenlijk nog boodschappen doen.’

Gerard keek naar de klok en vroeg of ze al gegeten had. Toen ze vertelde dat ze van plan was geweest snel iets klaar te maken, stelde hij voor dat ze bleef. Hij had nog soep, zelfgemaakt zelfs, en er lag voldoende brood in de diepvries.

‘Van wat?’ vroeg Lisbeth.

‘Courgettes.’

Ze keek hem onderzoekend aan.

‘Met basilicum?’

‘Uiteraard.’

‘Dan wil ik wel eens proeven.’

Gerard ging naar de keuken. Lisbeth volgde hem en ontdekte dat hij zijn kruiden alfabetisch had gerangschikt. Ze zei er niets over. Sommige eigenaardigheden moest je eerst wat langer observeren voor je er commentaar op mocht geven.

Ze aten aan de keukentafel en bespraken de merkwaardige gewoonte van televisiechefs om overal citroenzeste aan toe te voegen. Gerard beweerde dat hij nog nooit een gerecht had gegeten dat werkelijk beter werd van citroenzeste. Lisbeth kondigde aan dat ze hem op een dag van het tegendeel zou overtuigen.

Na het eten ruimden ze samen af, hoewel Gerard aanvankelijk protesteerde en beweerde dat zijn vaatwasser al het werk zou doen. Lisbeth zette de soepkom in de machine, keek naar de manier waarop hij de borden gerangschikt had en besloot dat ze hierover voorlopig beter kon zwijgen.

In de woonkamer begon een programma waarin mensen vertelden over een belangrijke gebeurtenis uit hun leven. Gerard wilde het toestel eigenlijk uitzetten, maar Lisbeth vroeg of ze even mocht blijven kijken. Ze namen plaats op de sofa, zij aan de ene kant en hij aan de andere, met daartussen een afstand die bijna even groot was als de afstand tussen hun beide huizen.

Tijdens het programma verscheen een oudere man die vertelde dat hij pas na zijn pensionering pianoles was beginnen volgen. Hij had zijn hele leven gedacht dat hij geen muzikaal talent had, maar bleek nu met een verbeten enthousiasme eenvoudige melodieën te kunnen spelen.

‘Dat vind ik nu zo schoon’, zei Lisbeth. ‘Op die leeftijd nog iets helemaal nieuws beginnen.’

Gerard glimlachte en zei dat hij misschien ook eens zo’n scheve kom moest komen maken. Lisbeth vond dat een uitstekend idee en beloofde dat ze hem zou helpen, al waarschuwde ze dat hij waarschijnlijk wel zou moeten aanvaarden dat het resultaat niet precies werd wat hij verwachtte.

Ze keken verder. Toen de man op televisie met enige moeite een melodie begon te spelen en halverwege vergat hoe het verder moest, schoof Lisbeth ongemerkt iets dichter naar Gerard. Ze maakte een opmerking over de piano, hij antwoordde en geen van beiden leek nog bijzonder veel aandacht te besteden aan de ruimte die ze voordien tussen zich hadden gelaten.

Na het programma bleef Lisbeth nog even zitten. Gerard wilde vragen of ze zin had om de volgende avond opnieuw samen televisie te kijken, maar hij vond het een nogal grote stap. Ze hadden per slot van rekening pas enkele uren met elkaar gesproken.

Lisbeth stond op en nam haar jas.

‘Ik heb morgen keramiekles’, zei ze. ‘Maar zaterdag ben ik thuis.’

‘Ik ook.’

‘Misschien kunnen we dan eens samen naar de boekenwinkel. Ik moet toch nog een paar boeken hebben.’

‘Dat lijkt me een uitstekend idee.’

Ze stonden in de gang. Gerard opende de voordeur en merkte dat de regen was opgehouden. Een straatlantaarn wierp een bleek licht over de natte stoep en aan de overkant probeerde iemand een vuilniszak in een overvolle container te proppen.

‘Welterusten, Lisbeth.’

‘Welterusten, Gerard.’

Ze liep de paar meter naar haar eigen voordeur, maar bleef daar staan en draaide zich om.

‘Zeg, Gerard?’

‘Ja?’

‘Je mag wel je zeggen, hoor. We kennen elkaar intussen al dertig jaar.’

Hij lachte. Ze had natuurlijk gelijk en hij vroeg zich af waarom hij daar zelf niet eerder aan had gedacht, maar voor hij iets kon antwoorden, stak ze haar sleutel al in het slot.

Toch draaide ze zich nog een keer om.

‘En zaterdag moeten we niet alleen naar de boekenwinkel. We kunnen achteraf misschien ook ergens iets gaan drinken.’

‘Graag.’

‘Goed. Dan spreken we dat af.’

Ze verdween naar binnen.

Gerard sloot zijn deur en bleef een ogenblik in de gang staan. Hij was drieënzestig, zijn klanten vonden hem steeds vaker ouderwets en hij had de laatste jaren meer tijd doorgebracht met apparaten die niet meer werkten dan met mensen die dat wel deden. Toch had hij die avond iets ontdekt waarvoor geen handleiding bestond.

Hij liep naar zijn woonkamer en zag het boek op de salontafel liggen.

Ik mis je.

Hij nam het op, sloeg het open en legde het onmiddellijk weer neer. De ontknoping kende hij al, net als alle onverwachte wendingen en de kleine aanwijzingen die hij bij zijn vorige lectuur over het hoofd had gezien. Er viel voor hem niets nieuws meer te ontdekken.

Hij keek naar de muur die zijn woonkamer van die van Lisbeth scheidde. Daarachter hoorde hij zachtjes muziek spelen, iets van vroeger, met een opzwepend ritme dat hem vaag bekend voorkwam. Even later hoorde hij haar lachen, vermoedelijk om een gedachte die alleen zij kon begrijpen.

Hij liep naar zijn boekenkast en schoof de thriller op zijn plaats.

Zaterdag moest hij trouwens nog iets doen. Lisbeth had verteld dat ze voor Mozart telkens naar de dierenspeciaalzaak ging en dat het speciale kattenvoer er alweer niet voorradig was. Gerard had beloofd bij zijn volgende bezoek eens naar het merk te informeren. Hij moest toch nog voer voor Napoleon bestellen en misschien konden ze de bestelling samen afhalen.

Dan konden ze voortaan ook samen naar die winkel, had hij bedacht. Niet dat ze daar een bijzondere reden voor nodig hadden, maar het was prettig om te weten dat er minstens één plaats bestond waar ze elkaar niet langer hoefden mis te lopen.

Hij keek nog even naar het aquarium, waar Napoleon onbeweeglijk tussen de waterplanten hing. De andere vissen waren inmiddels naar de bodem gezakt en het filter maakte zijn vertrouwde, zacht brommende geluid.

Gerard deed het licht uit en liep fluitende de trap op naar boven. Voor het eerst in lange tijd had hij geen zin om nog een hoofdstuk te lezen.

Toen Lisbeth die avond naar haar eigen huis terugkeerde, voelde ze geen behoefte om nog eens achterom te kijken. Mozart zat op de vensterbank op haar te wachten en in de keuken stond nog de half afgemaakte kom waaraan ze de volgende ochtend verder wilde werken. Gerard ruimde intussen de koffiekopjes op, controleerde of Napoleon zijn avondeten had gekregen en zette de radio aan. Ze waren allebei tevreden met de vertrouwde geluiden van hun eigen huis, met de kleine wanorde die niemand anders hoefde te begrijpen en met de vrijheid om de volgende ochtend te doen waar ze zin in hadden. Alleen was er iets bijgekomen. Achter de muur woonde voortaan niet langer zomaar iemand die ze al dertig jaar beleefd groetten, maar iemand bij wie ze konden aanbellen wanneer ze iets te vertellen hadden. En die even gemakkelijk weer de deur achter hen zou dichtdoen, zonder daar iets achter te zoeken.

NIEUW! KOERSKLAP

- ONZE EXCLUSIEVE REEKS -spot_img

Abonneer je op ons Gratis Magazine en ontvang elke woensdag de beste info, tips en leuke acties in jouw mailbox

Leestips

25 April 1934 – Al een paar dagen geen nieuws meer

De berichtgeving in kranten is nu wel volledig geluwd, al een paar dagen geen nieuws meer … *-*-*-* Dan duikelen we naar eens in het fictieve...

Trop is te veel

spot_img
Rechtvaardige-Rechters retabel

11 april 1934 – De Rechtvaardige Rechters, het mysterie ontrafeld

In 1934 pleegde men een van de grootste kunstdiefstallen in de Belgische geschiedenis: de diefstal van "De Rechtvaardige Rechters", een paneel van het wereldberoemde...