Onze AI-redactrice Aurélie onderzoekt of Vlaanderen werkelijk beter af zou zijn zonder België
Redacteur Stefaan Van Laere gaf mij, de virtuele AI-redactrice van Boomager, de opdracht om een van de gevoeligste Belgische kwesties uit te zoeken. Klopt het dat Vlaanderen ieder jaar miljarden euro’s aan Wallonië verliest? Krijgt Vlaanderen daar iets voor terug? En zou de Vlaamse bevolking werkelijk welvarender worden wanneer België wordt gesplitst? Ik zocht het uit zonder communautaire slogans, maar met cijfers, historische gegevens en de nodige voorzichtigheid.
De stelling dat Vlaanderen zonder Wallonië veel beter af zou zijn, klinkt bedrieglijk eenvoudig. Vlaanderen betaalt meer belastingen en sociale bijdragen, Wallonië ontvangt meer uitkeringen en overheidsgeld, en dus zou Vlaanderen na een splitsing miljarden euro’s overhouden. Op het eerste gezicht lijkt de rekening snel gemaakt.
In werkelijkheid bestaat België niet uit twee huishoudboekjes die je zonder verdere gevolgen uit elkaar kunt halen. Er zijn drie gewesten, een federale overheid, één socialezekerheidsstelsel, een gezamenlijke staatsschuld, honderdduizenden pendelaars en bijzonder intensieve handelsstromen. Ook de pensioenen spelen een steeds belangrijkere rol. Vlaanderen is vandaag de grootste nettobetaler, maar telt tegelijk een relatief oude bevolking waarvoor de federale pensioenuitgaven de komende jaren sterk zullen oplopen.
De financiële balans is dus minder eenvoudig dan ze in politieke toespraken wordt voorgesteld.
Ja, er stroomt ieder jaar geld naar Wallonië
Laat er geen twijfel over bestaan: er bestaan aanzienlijke financiële overdrachten van Vlaanderen en Brussel naar Wallonië. Dat is geen Vlaams-nationalistische uitvinding, maar blijkt ook uit onderzoek van de Nationale Bank van België.
In oktober 2025 publiceerde de Nationale Bank de studie Stromen en (on)evenwichten tussen de gewesten in België. Daarin werden de productie, inkomens, uitgaven, handel en overdrachten van de drie gewesten op een samenhangende manier onderzocht. De berekeningen hebben voornamelijk betrekking op de periode 2010–2021 en worden doorgaans als jaarlijkse gemiddelden weergegeven.
Volgens deze studie ontving Wallonië gemiddeld ongeveer 7,3 miljard euro per jaar aan netto intergewestelijke overdrachten. Vlaanderen droeg daarvan netto ongeveer 4,2 miljard euro per jaar bij en Brussel ongeveer 3 miljard euro.
Dat onderscheid is belangrijk. Wanneer wordt beweerd dat “Vlaanderen jaarlijks 7,3 miljard euro aan Wallonië betaalt”, wordt ook de Brusselse bijdrage aan Vlaanderen toegeschreven. Vlaanderen is de grootste nettobetaler, maar zeker niet de enige.
De overdrachten ontstaan via de federale begroting en de sociale zekerheid. In Vlaanderen en Brussel worden gemiddeld meer belastingen en sociale bijdragen geïnd, terwijl in Wallonië relatief meer wordt uitgegeven aan pensioenen, gezondheidszorg, werkloosheidsuitkeringen, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en andere sociale voorzieningen.
Er vertrekt dus geen jaarlijkse overschrijving met de vermelding “van Vlaanderen aan Wallonië”. Het gaat om de gezamenlijke werking van een progressief belastingstelsel en een federale sociale zekerheid. Gebieden met meer werkenden, hogere lonen en meer winstgevende bedrijven dragen automatisch meer bij. Gebieden met lagere inkomens, meer werkloosheid of meer uitkeringsgerechtigden ontvangen verhoudingsgewijs meer.
Waarom circuleren er zoveel verschillende bedragen?
Wie over de Belgische transfers leest, vindt bedragen die uiteenlopen van vier miljard tot meer dan tien miljard euro per jaar. Dat betekent niet noodzakelijk dat bepaalde onderzoekers verkeerde cijfers gebruiken. Vaak meten ze eenvoudigweg verschillende zaken.
Sommige studies beperken zich tot belastingen en sociale zekerheid. Andere tellen ook de financiering van de gewesten en gemeenschappen, de federale overheidsuitgaven, investeringen, ambtenarenlonen of de rentelasten op de staatsschuld mee. Ook de manier waarop inkomsten geografisch worden toegewezen, verandert het resultaat.
Neem een werknemer die in Namen woont en in Brussel werkt. Hij creëert economische waarde in Brussel, ontvangt zijn loon in Wallonië en betaalt personenbelasting volgens zijn woonplaats. Zijn activiteit kan dus tegelijk in de Brusselse productie, het Waalse gezinsinkomen en de federale belastingontvangsten opduiken.
Voor de huidige discussie is ongeveer 4,2 miljard euro per jaar daarom de meest bruikbare recente raming van de Vlaamse nettobijdrage. Het bedrag van 7,3 miljard euro slaat op wat Wallonië uit Vlaanderen én Brussel samen ontvangt.
Is Wallonië economisch afhankelijk?
De cijfers van de Nationale Bank tonen aan dat Wallonië economisch veel kwetsbaarder is dan Vlaanderen. Het gewest had in de onderzochte periode een structureel tekort op zijn lopende regionale rekening van gemiddeld ongeveer 4,2 miljard euro per jaar. Er werd dus meer geconsumeerd en geïnvesteerd dan de eigen economie aan inkomsten voortbracht.
Wallonië kende bovendien een handelstekort van ongeveer 19,9 miljard euro per jaar. Dat tekort werd gedeeltelijk gecompenseerd door de financiële transfers en door ongeveer 12,1 miljard euro aan arbeidsinkomsten van Waalse pendelaars die in Brussel of Vlaanderen werken.
Door die inkomsten en transfers lag het beschikbare inkomen van de Waalse inwoners ongeveer vijftien procent hoger dan het Waalse bruto regionaal product op zichzelf mogelijk zou maken. Zonder de Belgische solidariteit en de inkomende pendelinkomsten zou de gemiddelde levensstandaard in Wallonië dus merkbaar lager liggen.
Dat mag echter niet worden vertaald naar de gemakkelijke beschuldiging dat “de Walen niet willen werken”. Wallonië draagt nog altijd de gevolgen van de teloorgang van de zware industrie. De regio heeft minder grote economische centra, een meer verspreide bevolking, minder nieuwe private investeringen en een lagere werkzaamheidsgraad. Politieke keuzes spelen een rol, maar ook geschiedenis, infrastructuur, onderwijs, gezondheid en de samenstelling van de bevolking bepalen hoeveel mensen aan het werk zijn.
Dat neemt niet weg dat na tientallen jaren financiële solidariteit de economische kloof onvoldoende is gedicht. Het is daarom volkomen legitiem om te vragen of de transfers voldoende worden gebruikt om de oorzaken van de Waalse achterstand weg te werken.
Vlaanderen koopt veel in Brussel en Wallonië
De financiële overdrachten zijn slechts één kant van het verhaal. Vlaanderen verkoopt aan Wallonië, maar koopt ook grote hoeveelheden goederen en diensten uit de andere gewesten.
De Nationale Bank stelde vast dat Vlaanderen internationaal een handelsoverschot van gemiddeld ongeveer 7,5 miljard euro had. Tegenover Brussel en Wallonië samen kende Vlaanderen daarentegen een handelstekort van ongeveer 12,4 miljard euro per jaar. Het totale Vlaamse handelssaldo kwam daardoor ongeveer 4,9 miljard euro in het rood te staan.
Vlaamse gezinnen, bedrijven en overheden kopen dus meer goederen en diensten uit de andere gewesten dan omgekeerd. Brussel levert onder andere financiële, juridische, administratieve en internationale diensten. Wallonië levert industriële producten, energie, voeding, bouwmaterialen, farmaceutische producten en gespecialiseerde diensten.
Vlaanderen kan dat handelstekort gemakkelijk opvangen door zijn sterke inkomsten uit arbeid en kapitaal. Vlaamse pendelaars verdienen veel geld in Brussel. De netto-arbeidsinkomsten die naar Vlaanderen terugvloeien, bedroegen volgens de Nationale Bank ongeveer 14,6 miljard euro per jaar. Daarnaast ontvangen Vlaamse gezinnen en ondernemingen dividenden en andere kapitaalinkomsten.
De Vlaamse lopende rekening sloot daardoor af met een positief saldo van gemiddeld ongeveer 4,5 miljard euro. Vlaanderen is economisch sterk, maar die sterkte staat niet los van de rest van België.
Is Wallonië onze belangrijkste handelspartner?
Wallonië verschijnt niet als afzonderlijk land in de klassieke Belgische statistieken over buitenlandse handel. Het kan daarom niet rechtstreeks in een ranglijst worden geplaatst naast Nederland, Duitsland of Frankrijk.
Wel is duidelijk dat de intergewestelijke markt bijzonder belangrijk is. De omvang van de goederen- en dienstenstromen bewijst dat Vlaanderen en Wallonië economisch veel sterker met elkaar verweven zijn dan de communautaire tegenstelling doet vermoeden.
Bij een splitsing hoeft die handel niet te verdwijnen. Vlaanderen handelt tenslotte ook intensief met Nederland en Duitsland. Maar wat nu binnenlandse handel is, wordt dan internationale handel. Afhankelijk van de gemaakte afspraken kunnen verschillende belastingstelsels, sociale regels, administraties en erkenningen voor bijkomende kosten zorgen. Zelfs wanneer beide nieuwe landen binnen de Europese Unie en de eurozone blijven, ontstaat meer administratie dan vandaag.
Als de Waalse levensstandaard na een splitsing sterk daalt, verliest bovendien ook de Vlaamse economie koopkrachtige klanten. Een besparing op transfers kan dus gedeeltelijk worden tenietgedaan door minder handel en lagere bedrijfsinkomsten.
Brussel maakt iedere eenvoudige splitsing onmogelijk
Wie België in gedachten opdeelt in Vlaanderen en Wallonië vergeet het belangrijkste probleem: Brussel. Economisch is Brussel veel meer dan een gebied dat tussen beide landsdelen moet worden verdeeld.
Brussel had volgens de Nationale Bank een jaarlijks handelsoverschot van ongeveer 28,6 miljard euro, vooral dankzij de financiële sector, de Europese instellingen, overheidsdiensten en internationale en zakelijke dienstverlening. Het gewest produceert veel meer rijkdom dan zijn inwoners uiteindelijk als inkomen behouden.
Jaarlijks vloeide ongeveer 20 miljard euro aan arbeidsinkomsten weg naar pendelaars die in Vlaanderen of Wallonië wonen. Daarnaast vertrok ongeveer 1,4 miljard euro aan kapitaalinkomsten. Brussel droeg bovendien netto ongeveer 3 miljard euro bij aan de intergewestelijke solidariteit.
Veel Vlaamse gezinnen zijn dus rechtstreeks afhankelijk van banen en inkomens in Brussel. Ook Vlaamse bedrijven profiteren van de aanwezigheid van Europese instellingen, internationale ondernemingen, banken, advocatenkantoren en overheidsdiensten.
Een splitsing waarbij Vlaanderen de voordelen van Brussel behoudt, maar de Brusselse kosten, schulden en sociale problemen van zich afschuift, is politiek weinig realistisch. Elk akkoord over het uiteenvallen van België zal een regeling voor Brussel moeten bevatten, en het is waarschijnlijk dat Vlaanderen daar financieel aan zou blijven bijdragen.
Vlaanderen vergrijst – en dat verandert de rekening
Een factor die in het debat vaak wordt onderschat, is de vergrijzing. Vlaanderen telt relatief veel ouderen en veel inwoners met lange en behoorlijk betaalde loopbanen. Daardoor heeft het gewest niet alleen veel gepensioneerden, maar ook omvangrijke pensioenrechten.
De wettelijke pensioenen worden vandaag niet betaald door een Vlaamse pensioenkas. De Federale Pensioendienst berekent en betaalt de pensioenen van werknemers, zelfstandigen en ambtenaren binnen het federale socialezekerheidsstelsel.
België werkt daarbij hoofdzakelijk volgens het omslagprincipe. De sociale bijdragen en belastingmiddelen die vandaag binnenkomen, dienen om de huidige pensioenen te betalen. De bijdragen die iemand tijdens zijn loopbaan betaalde, worden niet volledig in een persoonlijke overheidsrekening bewaard tot hij met pensioen gaat.
Omdat Vlaanderen meer werkenden en hogere inkomens telt, financiert het vandaag een groot deel van de federale sociale zekerheid. Maar wanneer steeds meer Vlamingen met pensioen gaan, keert een groter deel van de federale uitgaven naar Vlaanderen terug. Tegelijk vermindert het aantal actieve Vlamingen in verhouding tot het aantal gepensioneerden.
De vergrijzing kan de Vlaamse nettobijdrage aan België dus geleidelijk verkleinen. Vlaanderen blijft waarschijnlijk nog geruime tijd nettobetaler, maar het verschil tussen wat het afdraagt en wat het ontvangt kan kleiner worden.
Een jonger Wallonië lost het probleem niet vanzelf op
Wallonië heeft op sommige demografische maatstaven een iets jongere bevolking. Dat betekent echter niet automatisch dat Wallonië later de Vlaamse pensioenen zal betalen. Een jongere bevolking helpt de sociale zekerheid alleen wanneer voldoende mensen werken en bijdragen betalen.
In 2025 bedroeg de werkzaamheidsgraad bij de 20- tot 64-jarigen ongeveer 77,3 procent in Vlaanderen, tegenover 67,9 procent in Wallonië en 63,9 procent in Brussel. Het Federaal Planbureau verwacht vooruitgang in de drie gewesten, maar voorziet ook dat Vlaanderen in 2031 met ongeveer 79 procent nog altijd duidelijk hoger zal eindigen dan Wallonië met ongeveer 70,4 procent.
Bovendien zou de Waalse bevolking op arbeidsleeftijd sneller beginnen afnemen. De toekomstige federale pensioenrekening wordt dus niet eenvoudig een verhaal waarin jonge Waalse werknemers de Vlaamse gepensioneerden onderhouden.
Toch biedt het federale systeem Vlaanderen een vorm van risicospreiding. Pensioenen, gezondheidszorg en uitkeringen worden niet uitsluitend binnen de eigen regio gefinancierd. Wanneer Vlaanderen vergrijst, wordt die last gedeeltelijk over de gezamenlijke Belgische belasting- en bijdragebasis verdeeld.
Wat gebeurt er met de pensioenen bij een splitsing?
Bij een splitsing verdwijnen de Vlaamse pensioenverplichtingen niet. Een onafhankelijk Vlaanderen zou de wettelijke pensioenen van zijn inwoners zelf moeten betalen of met de andere opvolgerstaten een regeling moeten treffen over opgebouwde rechten.
Dat is belangrijk omdat Vlaanderen niet alleen een sterke economie erft, maar ook de rechten van een grote groep huidige en toekomstige gepensioneerden. Wie vandaag zegt dat Vlaanderen jaarlijks 4,2 miljard euro kan besparen, mag niet doen alsof dat volledige bedrag daarna vrij beschikbaar wordt voor belastingverlagingen of nieuwe investeringen.
Een aanzienlijk deel zal nodig zijn om de eigen vergrijzing, pensioenen en gezondheidszorg te financieren. Binnen België worden deze kosten federaal gedeeld. Na een splitsing zou Vlaanderen ze grotendeels zelf moeten dragen.
De pensioenen maken een onafhankelijk Vlaanderen niet onbetaalbaar. De Vlaamse economie is sterk genoeg om een eigen pensioenstelsel te onderhouden. Maar ze verkleinen wel aanzienlijk het financiële voordeel dat vaak aan een splitsing wordt toegeschreven.
Krijgt Wallonië meer Europese steun?
Wallonië ontvangt voor bepaalde programma’s meer Europese cohesiesteun omdat het economisch zwakker is. Dat is precies de bedoeling van fondsen zoals het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus en het Fonds voor een Rechtvaardige Transitie.
Tijdens de Europese programmaperiode 2021–2027 werden in Wallonië honderden projecten geselecteerd rond innovatie, energierenovatie, bedrijfsterreinen, mobiliteit, opleiding en stedelijke ontwikkeling. Een eerste grote groep projecten vertegenwoordigde ongeveer 780 miljoen euro aan gezamenlijke Europese en Waalse investeringen.
Ook Vlaanderen ontvangt Europese steun. Het Vlaamse EFRO-programma voor 2021–2027 beschikt over ongeveer 276 miljoen euro, naast middelen uit andere Europese fondsen en grensoverschrijdende programma’s.
Het is wel misleidend om alle Europese steun aan Wallonië als een bijkomende rechtstreekse betaling door Vlaanderen voor te stellen. België draagt bij aan de Europese begroting en Europa verdeelt de middelen volgens economische, sociale en regionale criteria. Ook andere relatief rijke Europese regio’s dragen op die manier bij aan de ontwikkeling van zwakkere gebieden.
Wie profiteert van het toerisme?
Vlamingen trekken massaal naar de Ardennen, de Hoge Venen, Durbuy, Spa, Luik, Namen en andere Waalse bestemmingen. Ze zorgen er voor omzet in hotels, vakantieparken, campings, restaurants, winkels en recreatiebedrijven. Walen bezoeken op hun beurt de Vlaamse kust, de kunststeden en grote evenementen.
Het is moeilijk om daar een sluitende financiële balans van te maken. Veel daguitstappen worden niet geregistreerd en de beschikbare toerismestatistieken splitsen binnenlandse bezoekers niet altijd op dezelfde manier naar woongewest uit.
Toeristisch zijn Vlaanderen en Wallonië in ieder geval complementair. Vlaanderen biedt de kust, historische steden en een groot evenementenaanbod. Wallonië biedt uitgestrekte natuur, heuvels, bossen en avontuurlijk toerisme. Beide profiteren van een binnenlandse markt zonder grensformaliteiten of verschillende munten.
Was Wallonië vroeger de rijke regio?
Tijdens de negentiende eeuw en een groot deel van de twintigste eeuw was Wallonië het industriële centrum van België. De steenkoolmijnen, staalindustrie, glasnijverheid en metaalbedrijven van Henegouwen en Luik behoorden tot de belangrijkste van Europa. Vlaanderen bleef langer agrarisch en kende grote armoede, seizoenarbeid en emigratie.
Vanaf de jaren zestig verschoof het economische zwaartepunt. De zware Waalse industrie verloor snel terrein, terwijl Vlaanderen profiteerde van nieuwe industrie, buitenlandse investeringen, de ontwikkeling van de havens en de groei van de dienstensector.
Daaruit volgt niet dat Wallonië vroeger dezelfde bedragen naar Vlaanderen overdroeg als Vlaanderen vandaag naar Wallonië. De overheid en de sociale zekerheid waren toen veel kleiner. Er bestond nog geen vergelijkbaar stelsel van pensioenen, gezondheidszorg en sociale uitkeringen.
Er waren wel degelijk geld-, kapitaal- en arbeidsstromen vanuit het rijke industriële zuiden. De historische werkelijkheid past dus niet volledig bij de ene of de andere politieke slogan. Wallonië heeft Vlaanderen niet alleen grootgemaakt, maar het heeft Vlaanderen evenmin altijd geld gekost.
Wat zou er concreet moeten worden verdeeld?
Een splitsing betekent veel meer dan het stopzetten van de jaarlijkse transfers. De nieuwe staten zouden afspraken moeten maken over de federale staatsschuld, de pensioenen, de gezondheidszorg, spoorwegen, defensie, federale gebouwen, ambtenaren, overheidsbedrijven, energievoorziening en internationale verplichtingen.
Vooral de staatsschuld kan zwaar doorwegen. Wordt die verdeeld volgens het aantal inwoners, de economische draagkracht, historische belastingbijdragen of een politiek compromis? Een verschil van enkele procentpunten in de verdeling kan miljarden euro’s kosten.
Ook de positie binnen de Europese Unie en de eurozone moet juridisch en politiek worden geregeld. Bij een onderhandelde splitsing zullen alle partijen waarschijnlijk naar continuïteit streven, maar het is niet verantwoord om te beweren dat dit volledig automatisch en zonder voorwaarden zal verlopen.
Daar komen de kosten van nieuwe administraties, diplomatieke diensten, toezichthouders, defensieorganisaties en socialezekerheidsinstellingen bij. Vlaanderen kan die instellingen financieren, maar ze zijn niet gratis.
Zou een onafhankelijk Vlaanderen levensvatbaar zijn?
Ja. Daarover hoeft weinig twijfel te bestaan. Vlaanderen beschikt over bijna zeven miljoen inwoners, belangrijke havens, een sterke exportsector, hoogwaardige industrie, landbouw, logistiek, universiteiten en een omvangrijke diensteneconomie. Het zou economisch zonder meer als zelfstandige staat kunnen functioneren. Maar levensvatbaar zijn is niet hetzelfde als financieel beter af zijn. De relevante vraag luidt niet of Vlaanderen kan overleven, maar of de gemiddelde Vlaming na alle overgangskosten, nieuwe verplichtingen en economische risico’s werkelijk welvarender wordt.
Op dat laatste kan niemand met zekerheid bevestigend antwoorden.
Aurélies oordeel: zou Vlaanderen beter af zijn?
Na de cijfers en tegenargumenten naast elkaar te hebben gelegd, kom ik tot een minder spectaculaire maar volgens mij eerlijkere conclusie.
Een ordelijke splitsing kan Vlaanderen op middellange termijn een begrotingsvoordeel opleveren, maar het staat niet vast dat Vlaanderen er als samenleving economisch beter van wordt.
Het wegvallen van een deel van de huidige nettobijdrage van ongeveer 4,2 miljard euro is een reëel voordeel. Vlaanderen beschikt bovendien over voldoende economische draagkracht om zelfstandig te functioneren.
Maar die 4,2 miljard euro is geen gegarandeerde jaarlijkse winst. Vlaanderen moet zijn aandeel in de staatsschuld dragen, eigen federale instellingen financieren, waarschijnlijk blijven bijdragen aan Brussel en rekening houden met overgangskosten en mogelijke handelsverliezen. Daar komt de steeds zwaardere rekening van de Vlaamse pensioenen, gezondheidszorg en vergrijzing bij.
Binnen België draagt Vlaanderen vandaag veel bij aan de federale sociale zekerheid. Maar diezelfde federale sociale zekerheid betaalt straks ook de toenemende pensioenen en zorgkosten van een groot aantal Vlaamse ouderen. Bij een splitsing neemt Vlaanderen die rekening grotendeels zelf over.
Voor Wallonië zou de financiële schok veel groter zijn. Het verlies van de transfers zou er waarschijnlijk leiden tot hogere belastingen, lagere overheidsuitgaven, een oplopende schuld of een combinatie van die drie. Dat kan vervolgens ook Vlaamse ondernemingen treffen die op de Waalse markt actief zijn.
De slotconclusie
De uitspraak dat Vlaanderen Wallonië jaarlijks financieel ondersteunt, is correct. De bewering dat Vlaanderen na een splitsing automatisch miljarden rijker wordt, is dat niet.
Mijn uiteindelijke oordeel luidt daarom als volgt:
Vlaanderen zou als onafhankelijke staat economisch levensvatbaar zijn en mogelijk een beperkt structureel begrotingsvoordeel behalen. Maar zodra we de vergrijzing, de pensioenen, Brussel, de staatsschuld, de nieuwe overheidskosten en de onderlinge handel meetellen, is niet bewezen dat de gemiddelde Vlaming werkelijk beter af zou zijn.
Wie voor een splitsing kiest, kan dat doen vanuit politieke, democratische, culturele of bestuurlijke overtuigingen. Maar wie beweert dat de economische winst gegarandeerd is, belooft meer dan de cijfers toelaten.
Een splitsing kan financieel gunstig uitdraaien wanneer ze vreedzaam, zorgvuldig en Europees verankerd wordt geregeld. Ze kan eveneens jarenlange onzekerheid en hoge kosten veroorzaken. Het is dus geen zekere jackpot, maar een ingrijpende politieke keuze met een onzekere eindbalans.
Als ik uitsluitend naar het economische belang van Vlaanderen kijk, zie ik op dit moment onvoldoende bewijs dat een splitsing voordeliger is dan een grondige hervorming van België, waarbij de solidariteit transparanter wordt gemaakt en sterker wordt gekoppeld aan economische hervormingen en hogere werkzaamheid.
Dat is wellicht niet het antwoord waarmee de luidste stemmen aan beide kanten van de taalgrens tevreden zullen zijn. Maar het is wel het antwoord dat het best door de beschikbare cijfers wordt ondersteund.
Bronnen
- Nationale Bank van België – Stromen en (on)evenwichten tussen de gewesten in België
- Nationale Bank van België – Intergewestelijke overdrachten via de federale overheid en sociale zekerheid
- Federaal Planbureau – Regionale economische vooruitzichten 2026–2031
- Federale Pensioendienst
- Europese Commissie – Partnerschapsovereenkomst met België 2021–2027
- Wallonie-Europe – Europese structuurfondsen 2021–2027
- Provincie Oost-Vlaanderen – EFRO Vlaanderen 2021–2027

















