HomeLeestipsCursiefjesGeen inspiratie

Geen inspiratie

Over Romeinen, wielrenners en een omweg naar de maan

De grootste nachtmerrie van een auteur is geen inspiratie hebben. Dat wordt tenminste beweerd door mensen die auteurs graag met nachtmerries opzadelen. Alsof wij ’s nachts rechtop in bed schieten, badend in het zweet, omdat we geen passend bijvoeglijk naamwoord hebben gevonden voor een verkleurde kamerplant.

Toch bestaat het verschijnsel. Je zit voor een leeg scherm. De cursor knippert. Niet nerveus of verwijtend, want een cursor heeft geen gevoelens, maar op den duur begin je je toch af te vragen of hij je uitlacht. Je tikt een zin. Je wist hem. Je tikt dezelfde zin opnieuw, maar zet de woorden in een andere volgorde. Je wist hem nogmaals. Daarna ga je koffie halen, hoewel er nog koffie naast je staat.

Ik heb daar zelf gelukkig zelden of nooit last van. In dat romantische idee van de schrijver die maandenlang naar een leeg blad staart tot de muze eindelijk neerdaalt, heb ik nooit erg geloofd. Misschien komt dat doordat ik gevormd ben in de krantenjournalistiek, waar een deadline niet ergens vaag over drie weken lag, maar gewoon vandaag, liefst tegen vijf uur. Dan wacht je niet op inspiratie, dan begin je eraan. Al schrijvend komt het ritme, dienen zinnen zich aan en krijgt een stuk vanzelf vorm. Inspiratie is in mijn ogen dan ook veel minder een mirakel dan een gewoonte: je gaat zitten, je werkt, en ondertussen komt de trein meestal wel op gang.

Het vreemde is dat ik al vrij jong wist dat ik later iets met schrijven wilde doen. Wat precies, daar had ik geen idee van. Ik fietste graag en keek nog liever naar wielrennen op televisie. Mijn eerste grote beroepsdroom was dan ook sportjournalist worden. Liefst iemand die met een notitieboekje in een volgwagen achter het peloton aanreed, terwijl Eddy Merckx op een berghelling de rest van de wereld naar adem deed happen.

Dat is me uiteindelijk gedeeltelijk gelukt. Ik ben geen vaste passagier geworden in de volgwagen van de Ronde van Frankrijk, maar ik heb in de loop der jaren wel bijzonder veel over wielrennen geschreven. Over winnaars, verliezers, ontsnappingen, valpartijen, kasseien en renners die na tweehonderd kilometer koers verklaarden dat de benen goed waren, maar dat ze helaas op het verkeerde moment in de verkeerde groep zaten.

Een van de mensen die mij sterkte in de overtuiging dat schrijven misschien iets voor mij was, was een leraar Nederlands in het middelbaar. We spreken over de tweede helft van de jaren zeventig. Dat was een tijd waarin leraren nog voor de klas rookten, leerlingen hun opstellen met een vulpen schreven en een jongeman met lang haar automatisch van revolutionaire bedoelingen werd verdacht.

Mijn leraar Nederlands had zelf iets van een hippie. Niet dat hij tijdens de les wierookstokjes brandde of ons de vervoeging van onregelmatige werkwoorden op gitaar voorspeelde, maar hij was opvallend begripvol voor zijn tijd. Hij kon verdragen dat een leerling een beetje van het rechte pad afweek.

Dat kwam goed uit, want ik was toen al een ongeleid projectiel. Ik hield mij niet altijd nauwgezet aan opdrachten. Dat lag niet aan een gebrek aan goede wil. Ik begon doorgaans met de bedoeling exact te doen wat er van mij werd verlangd, maar ergens tussen de eerste en de derde alinea gebeurde er iets. Er dook een zijweg op. Daarna nog een. Voor ik het goed en wel besefte, was de oorspronkelijke opdracht in de achteruitkijkspiegel verdwenen.

Zo kregen we op een dag de opdracht een opstel te schrijven over de rol van de Romeinen en de structuur van de Romeinse samenleving. Wij volgden Latijn en ook tijdens de lessen Nederlands kregen we geregeld opdrachten die daarbij aansloten.

De bedoeling was duidelijk. Eén bladzijde over de Romeinen, over de structuur van hun samenleving.

Daar kon weinig mee misgaan. Ik begon dan ook voorbeeldig. Er was een keizer, er was een senaat en ergens liepen vermoedelijk een paar legionairs rond. Ik herinner mij de precieze tekst niet meer, maar ik neem aan dat ik woorden als patriciërs, plebejers en aquaduct heb gebruikt. Dat waren woorden waarmee je op die leeftijd indruk kon maken, vooral wanneer niemand precies wist wat een aquaduct met de rest van je verhaal te maken had.

Na enkele alinea’s kreeg ik echter genoeg van de Romeinen. Ze hadden hun rijk gehad, hun wegen aangelegd en hun veldslagen geleverd. Wat viel daar nog aan toe te voegen?

Ik maakte daarom een kleine omweg naar de Middeleeuwen. Een volkomen logische stap, vond ik zelf. De Middeleeuwen kwamen tenslotte ergens na de Romeinen. Vervolgens kwam ik via ridders, burchten en vermoedelijk een verdwaalde troubadour bij latere uitvindingen terecht. Daarna moet ik ergens een verkeerde afslag hebben genomen, want uiteindelijk belandde ik op de maan.

Mijn opstel over de structuur van de Romeinse samenleving eindigde dus bij ruimtereizen. Dat is een behoorlijke afstand. Volgens hedendaagse routeplanners bedraagt de afstand tussen het oude Rome en de maan ongeveer 384.000 kilometer, al kan die variëren naargelang de stand van de maan en de drukte op de ring rond Brussel.

De opdracht besloeg één bladzijde. Ik leverde er verschillende in. Mij beperken is nooit mijn grootste talent geweest. Wanneer iemand mij vroeg twee of drie bladzijden te schrijven, begon ik mij na bladzijde zeven af te vragen of de inleiding niet wat langer moest.

Mijn leraar bekeek het resultaat en liet mij weten dat het opstel eigenlijk niet aan de opdracht voldeed. Dat kon ik moeilijk ontkennen. Zelfs met de meest welwillende interpretatie van de Romeinse samenleving waren ruimtereizen geen centraal onderdeel van hun dagelijkse bestaan. Julius Caesar had veel plannen, maar een maanlanding stond er vermoedelijk niet bij.

Toch vond de leraar het stuk goed geschreven. Het was nonsens, zei hij, maar wel goed opgebouwde en consequent volgehouden nonsens. Ik beschouwde dat als een compliment.

Vervolgens droeg hij mij op het hele verhaal voor de klas voor te lezen. Dat vond ik plots een minder goed idee. Schrijven deed ik graag. Voorlezen voor een klas vol leeftijdsgenoten was iets anders. Ik voelde de blos naar mijn wangen stijgen, begon aarzelend en struikelde bijna over mijn eigen eerste zin. Maar naarmate ik verder las, hoorde ik hier en daar gegrinnik. Het gegrinnik werd gelach en het gelach eindigde zowaar in een bescheiden applaus.

Dat applaus was misschien niet verstandig. Een ongeleid projectiel moet je immers niet aanmoedigen.

Het sterkte mij in de overtuiging dat afdwalen niet noodzakelijk verkeerd was, zolang je onderweg maar iets interessants tegenkwam. Mijn leraar was gelukkig verstandig genoeg om in de klas daarna een bijkomende vraag te stellen.

Welke punten geef je aan een opstel dat volledig naast de opdracht zit, maar wel goed geschreven is? Dat was een belangrijk pedagogisch en wellicht zelfs filosofisch vraagstuk. Beloon je de vorm of bestraf je de inhoud? Geef je punten voor gehoorzaamheid of voor verbeelding? En hoeveel punten verdient iemand die gevraagd wordt naar de Romeinse standenmaatschappij en eindigt bij een astronaut die vermoedelijk Julius Caesar heet?

Ik weet niet meer welk cijfer ik uiteindelijk kreeg. Misschien heeft mijn leraar zelf de knoop doorgehakt. Misschien werd er democratisch over gestemd. Misschien kreeg ik acht op tien voor de tekst en nul op tien voor aardrijkskunde. Ik ben het vergeten.

Wat ik niet vergat, was het gevoel tijdens het voorlezen. Het ogenblik waarop de eerste zenuwen verdwenen en ik merkte dat anderen meegingen in een verhaal dat eigenlijk nergens op sloeg. Daar zat iets verslavends in. Je schreef woorden neer, die woorden werden beelden in het hoofd van iemand anders en plotseling ontstond er iets wat er enkele minuten voordien nog niet was.

Dat is wellicht de ware reden waarom iemand schrijver wordt. Niet omdat hij altijd inspiratie heeft, maar omdat hij wil ontdekken waar een eerste zin hem brengt.

Ook vandaag begin ik soms aan een artikel zonder precies te weten waar het zal eindigen. Ik heb dan een titel, een vaag idee en hoogstens een richtingaanwijzer. Vervolgens verschijnen er onderweg Romeinen, wielrenners, hippies, leerkrachten, klaslokalen, ruimtereizen en een aquaduct dat nog altijd niet weet waarom het erbij werd gehaald.

Dat is geen gebrek aan inspiratie, eerder een verkeersprobleem. Er bieden zich te veel gedachten tegelijk aan. Ze duwen en wringen om als eerste op het scherm te komen. De ene gedachte beweert dat ze belangrijk is. De andere heeft een grappige anekdote bij zich. Een derde heeft totaal niets met het onderwerp te maken, maar weigert daarom juist te vertrekken.

Inspiratie is zelden een keurige bezoeker die aanbelt, zijn schoenen afveegt en rustig wacht tot je hem binnenlaat. Inspiratie komt langs de achterdeur, stoot een vaas om, plundert de koelkast en vraagt waarom je nog altijd niet over de uitvinding van de paperclip hebt geschreven.

Overigens is de paperclip een onderschat voorwerp. Maar daar gaat dit artikel niet over. Voorlopig toch nog niet.

Ik begon deze tekst met de mededeling dat de grootste nachtmerrie van een auteur het ontbreken van inspiratie is. Intussen zijn we via mijn jeugd, het wielrennen en de Romeinse samenleving op de maan beland, om vervolgens langs een hippieleraar en een paperclip opnieuw hier terecht te komen.

Misschien had mijn leraar gelijk. Misschien schrijf ik nog altijd goed volgehouden nonsens. Alleen krijg ik er tegenwoordig geen punten meer voor. Ik krijg lezers. Dat is veel gevaarlijker, want een lezer kan op elk ogenblik besluiten dat hij er genoeg van heeft en naar een filmpje van een vallende kat gaan kijken.

Daarom moet een schrijver blijven bewegen. Een bocht nemen. Nog een bocht nemen. Soms de verkeerde afslag kiezen en pas veel later ontdekken waarom die toch de juiste was.

Geen inspiratie? Daar heb ik gelukkig nog nooit lang last van gehad. Mijn werkelijke probleem is dat ik nog altijd niet weet wanneer ik moet stoppen.

En kijk: terwijl ik dit schrijf, zie ik in gedachten een Romeinse legionair op een racefiets over het maanoppervlak rijden. Hij draagt een gele trui onder zijn harnas, Julius Caesar zit in de volgwagen en mijn vroegere leraar Nederlands staat bij de finish met een puntenbord.

Ik denk dat ik daar maar eens een artikel over schrijf.

Vorig artikel
Volgend artikel
- ONZE EXCLUSIEVE REEKS -spot_img

Abonneer je op ons Gratis Magazine en ontvang iedere woensdag de beste info, tips en leuke acties in jouw mailbox

Leestips

Waarom stress en burn-out bij 50-plussers vaak anders aanvoelen

Er bestaat een hardnekkige gedachte dat mensen na hun vijftigste beter bestand zijn tegen stress. Ze hebben immers levenservaring, kennen hun werk door en...
spot_img
Rechtvaardige-Rechters retabel

11 april 1934 – De Rechtvaardige Rechters, het mysterie ontrafeld

In 1934 pleegde men een van de grootste kunstdiefstallen in de Belgische geschiedenis: de diefstal van "De Rechtvaardige Rechters", een paneel van het wereldberoemde...