De mensheid heeft een probleem. Niet oorlogen, klimaatopwarming of die verschrikkelijke rucola die tegenwoordig op letterlijk elk bord wordt gekwakt*. Nee, het echte drama van onze beschaving is dat Pluto geen planeet meer mag zijn.
Ik blijf dat persoonlijk een vorm van occulte terreur vinden.
Jarenlang heeft die arme Pluto braaf rond de zon gecirkeld, zonder iemand lastig te vallen. Dat bolletje deed zijn best. Het kwam netjes opdagen in alle schoolatlassen. Kinderen moesten het vanbuiten** leren. Leerkrachten tekenden het op het bord. En plots beslissen enkele internationale ruimteprofessoren met sandalen, geitenwollen truien en vermoedelijk relationele problemen dat Pluto “niet langer voldoet aan de voorwaarden”.
Hopla. Weg planeet. Zo snel gaat dat tegenwoordig.
Voor je het weet word je ook als mens gedeclasseerd. Eerst noemen ze je “ervaren”. Daarna “senior”. Dan “actieve oudere”. Vervolgens “digitale achterblijver”. En finaal eindig je ergens in een klantenservice waar een meisje van twintig je uitlegt hoe je een QR-code moet scannen terwijl je nog altijd niet begrijpt waarom een mens in godsnaam zijn parkeerticket via een satelliet moet betalen.
Ik stond onlangs in een supermarkt voor zo’n zelfscan-kassa. Een systeem dat vermoedelijk door een of andere sadist ontworpen werd. Ik had drie appels, een pot yoghurt en iets met skyr*** gekocht omdat men tegenwoordig overal skyr in steekt. Zelfs in dingen waar het biologisch onmogelijk lijkt.
Plots begon dat toestel te piepen:
“ONVERWACHT ARTIKEL IN DE INPAKZONE!”
Dat apparaat riep dat zo luid dat het klonk alsof ik uranium probeerde buiten te smokkelen. Er kwam een jongen aangesneld met een kapsel dat zelfs ik niet kan beschrijven, dus begin ik er ook niet aan.
“U moet eerst bevestigen dat u geen zakje gebruikt.”
Hij lachte niet.
Dat is ook iets wat opvalt bij jonge mensen: ze lachen minder. Ze kijken voortdurend ernstig. Als zijn ze permanent bezig met de redding van de planeet, hun persoonlijke trauma’s én hun cryptobeleggingen tegelijk.
Terwijl wij boomagers nog weten wat echte chaos is.
Wij hebben kaarten gelezen zonder gps. Wij hebben telefoonnummers onthouden. Wij hebben auto gereden zonder sensoren die hysterisch beginnen te gillen zodra je nog maar denkt aan een paaltje. Wij hebben zelfs zonder internet overleefd. Sommige jongeren geloven dat nauwelijks nog.
“Maar wat deden jullie dan heel de dag?”
Leven, jongen. Wij leefden. Wij zaten op terrassen. Wij praatten urenlang over niks. Wij werden verliefd zonder apps. Wij verloren elkaar zonder wifi. Wij gingen op reis met een Michelin-kaart die eruitzag als het evacuatieplan van een kerncentrale. En als je verdwaalde, vroeg je gewoon de weg aan iemand die er nóg minder van kende.
Heerlijk.
Ooit zat ik ergens in Briançon op een leeg marktplein. Waarom precies Briançon weet ik niet meer. Mogelijk was ik onderweg naar Italië. Mogelijk dacht ik dat ik op reis was naar Italië. Vanaf een bepaalde leeftijd wordt dat onderscheid nogal theoretisch. En ik vraag me ook af waarom ik daar nu plots over begin.
In elk geval zat ik daar met een koffie en een lichte rugpijn naar een fontein te kijken, toen een jonge kerel naast mij kwam zitten. Een nerveuze figuur met een baard waarin vermoedelijk drie mussen en een kleine linkse splinterfractie van de Franse politiek verborgen zaten.
Hij vroeg: “Gelooft u in bitcoins?”
Ik antwoordde: “Ik geloof in alles, en niets.”
Maar dat hield hem niet tegen. Een volledig uur lang legde hij uit hoe de klassieke economie ging instorten en hoe we binnenkort allemaal zouden betalen met digitale munten die nergens bestaan maar blijkbaar toch gigantisch veel waard zijn.
Dat blijft voor mij magie.
Als kind kreeg ik van mijn moeder een frank om snoep te kopen. Dat was overzichtelijk. Je had een muntstuk. Je kreeg kauwgum. Einde verhaal.
Nu steken mensen hun volledige spaargeld in denkbeeldige internetmuntjes die bedacht zijn door een mysterieuze figuur die klinkt als een Japanse ninja uit een slechte Netflixreeks.
En toch doen wij boomagers dapper mee. Wij openen apps die we niet begrijpen. Wij installeren updates waarvan niemand weet wat ze eigenlijk updaten. Wij klikken moedig op knopjes terwijl ergens diep vanbinnen het besef leeft dat we met één verkeerde aanraking mogelijk de complete Europese economie uitschakelen.
Dat is moed.
Soms vraag ik me af of ouder worden niet gewoon betekent dat je langzaam verandert in een wandelende verzameling twijfels. Je zoekt voortdurend naar dingen. Je bril. Je sleutels. Je wachtwoord. Je auto. Je motivatie. Soms zelfs je volledige gedachtegang.
Ik ben onlangs de keuken binnengelopen en wist letterlijk niet meer waarom. Dat was een bijzonder filosofisch moment. “To be or not to be”, dacht ik. Waarop ik uiteindelijk besloot dat ik waarschijnlijk koffie wilde. Of kaas. Of de afstandsbediening. Niemand weet het nog.
Het vreemde is: hoe ouder je wordt, hoe absurder het leven eigenlijk wordt. Je begint dingen te relativeren die vroeger gigantisch belangrijk leken. Status. Geld. Meningen van anderen. LinkedIn-profielen. Mensen die quinoa eten uit overtuiging.
Je beseft plots dat geluk soms gewoon bestaat uit een goeie stoel, een rustige namiddag, een glas wijn en een gesprek waarin niemand het woord “algoritme” gebruikt.
Boomagers begrijpen dat.
Wij hebben genoeg meegemaakt om te weten dat de wereld altijd een klein beetje krankzinnig is geweest. Alleen gebeurde de gekte vroeger trager. Nu komt alles tegelijk binnengevlogen via smartphones, pushmeldingen en influencers die in badjas uitleggen hoe je via metafysica en Himalayazout innerlijke rust kunt bereiken.
Vroeger had je een zonderlinge nonkel die rare dingen vertelde na vier pinten. Nu heeft diezelfde nonkel een podcast. En danst hij vrolijk mee met zijn kleindochter in haar TikTokfilmpjes. Dat is het verschil.
En toch… ondanks alles leef ik nog altijd graag. Misschien zelfs meer dan vroeger. Omdat je op een bepaald moment beseft dat perfectie compleet overschat wordt. Dat een mens gerust wat belachelijk mag zijn. Dat je gerust mag verdwalen. Dat je gerust af en toe luidop tegen jezelf mag praten in de supermarkt. Ik doe dat tegenwoordig regelmatig.
Laatst vroeg een vrouw bezorgd: “Meneer, gaat het wel?”
Ik antwoordde: “Geen idee mevrouw, maar Pluto verdient eerherstel.”
Ze wandelde onmiddellijk weg. Terecht wellicht.
Maar zie je: dat is nu exact de vrijheid van de boomager. Wij moeten niks meer bewijzen. Wij mogen excentriek worden. Wij mogen op dinsdagnamiddag nadenken over het universum terwijl we soep eten. Wij mogen discussiëren over occulte terreur op Facebook, om vervolgens een halfuur later compleet gelukkig te worden van een éclair met koffiecrème.
Dat heet levenswijsheid. Of aftakeling. Die twee liggen dichter bij elkaar dan men denkt.
En als ik ooit honderd word, hoop ik vooral dat ik nog altijd kan lachen met mezelf. Dat ik nog altijd op een terras kan zitten mijmeren over Pluto, bitcoins en verloren liefdes. Dat ik tegen dan misschien overtuigd zal zijn dat rucola een internationale samenzwering is. En vooral dat ik tegen jonge mensen nog altijd compleet nutteloze levenslessen mag verkopen. Want uiteindelijk is dat misschien onze laatste grote taak als boomagers: de wereld blijven verwarren. Stap voor stap.
*Meen ik niet hoor, ik ben verzot op rucola, maar soms tikken mijn vingers vanzelf dit soort nonsens.
** Uit het hoofd, in keurig Nederlands.
***Ken je dit niet? Zoek het even op…
















