HomeTRENDINGJazz is geweldig, maar de muziek is er soms te veel aan

Jazz is geweldig, maar de muziek is er soms te veel aan

Ik probeer al mijn hele leven jazz te begrijpen, of ik doe toch een poging tot.

Dat klinkt misschien overdreven, maar het is zo. Er zijn mensen die op jonge leeftijd de liefde van hun leven ontdekken, anderen vinden God, nog anderen raken verslingerd aan voetbal, tuinieren of munten verzamelen. Ik heb mij op gezette tijden voorgenomen om jazzliefhebber te worden.

Niet zomaar iemand die af en toe “Take Five” herkent, maar een echte. Zo iemand die bij een onverwachte akkoordwisseling goedkeurend knikt. Zo iemand die na drie seconden hoort of Miles Davis nu in zijn koele, modale, elektrische of gewoon slechtgezinde periode zit. Zo iemand die bij de naam Thelonious Monk niet alleen aan een pianist denkt, maar aan een planeet met een eigen zwaartekracht.

Het probleem is: jazz wil niet altijd meewerken. Of beter: ik wil wel, maar jazz laat zich niet zomaar binnenhalen. Het is geen muziek die zegt: kom erbij, hier is de melodie, zet u neer, we beginnen eraan. Jazz staat eerder in een donkere club tegen een muur geleund, met een sigaret die nergens nog mag, en kijkt je aan alsof ze wil zeggen: bewijs eerst maar eens dat je hier thuishoort.

En daar begint mijn levenslange mislukking.

Want alles, of toch veel, rond jazz vind ik op zich best wel geweldig. De namen alleen al. Miles Davis, met die blik alsof hij net iets wist wat de rest van de mensheid nog moest ontdekken. Een man die de trompet niet bespeelde, maar ondervroeg. Soms klonk hij koel en afstandelijk, soms broeierig en gevaarlijk, soms alsof hij het publiek eigenlijk liever niet in de zaal had. Dat alleen al maakt hem onweerstaanbaar. Ik laat de naam bewust tweemaal kort na elkaar vallen omdat hij het verdient. Denk ik, ik ben absoluut geen kenner maar het klinkt net echt: die Van Laere weet er blijkbaar wat van… En wie weet kom ik zo hoger op de ranglijst van de algoritmes van Big Brother wanneer iemand zijn naam intikt.

Thelonious Monk dan, ook weer bis op enkele paragrafen tijd. Een pianist die leek te spelen met de logica van iemand die de trap afdaalt en onderweg beslist dat de treden niet noodzakelijk in de juiste volgorde hoeven te liggen. Hij kon midden in een optreden rechtstaan en wat rondjes draaien terwijl de anderen verder speelden. Bij een ander zou dat aanstellerij zijn. Bij Monk denk je: ja, natuurlijk, die man hoort waarschijnlijk muziek die wij pas over vijftig jaar zullen begrijpen.

John Coltrane is nog een ander verhaal. Daar luister je niet naar zoals je naar achtergrondmuziek luistert. Bij Coltrane heb ik altijd het gevoel dat iemand een deur probeert open te blazen naar een hogere werkelijkheid. Zijn saxofoon klinkt soms als gebed, soms als storm, soms als iemand die zichzelf uit een brandend huis probeert te spelen. Prachtig, indrukwekkend, overweldigend. En tegelijk denk ik na zeven minuten: John, ik ben nog een heel klein mee, maar het wordt nipt en nu moet ik echt dringend en dwingend naar het toilet.

Dan heb je Charles Mingus, de contrabassist met het temperament van een kleine vulkaan. Briljant, furieus, teder, onhandelbaar. Een man die zijn muzikanten kon uitschelden, het publiek kon terechtwijzen en ondertussen muziek maakte die stampte, schuurde, lachte en beet. Bij Mingus heb je nooit het gevoel dat jazz keurige museumkunst is. Het is eerder een caféruzie met geniale timing.

Chet Baker hoort er ook bij. De mooie jongen met de breekbare stem, de trompet die klonk als verdriet dat net een veel te klein jasje had aangetrokken. Zijn leven was een ramp in slow motion, maar zijn muziek had iets ontroerends eenvoudigs. Bij Chet Baker kan ik soms wél binnen. Daar staat de deur op een kier. Daar is melancholie geen theoretische oefening, maar gewoon een man die zingt alsof hij zelf niet helemaal gelooft dat hij de ochtend zal halen.

En dan Bill Evans. De pianist van de zachte pijn. Geen grote gebaren, geen branie, geen rookgordijn van noten, maar een soort ingehouden verdriet dat zich netjes aan tafel zet. Bij hem begrijp ik tenminste waarom stilte in jazz soms even belangrijk is als geluid.

Geef mij de verhalen, de levens, de tragiek, de genialiteit, de platenhoezen, de clubs, de anekdotes, de ruzies, de nachtelijke opnames, de verslavingen, de grillen, de kostuums, de zonnebrillen, de stemmen van kenners die fluisteren dat deze opname uit 1959 natuurlijk veel beter is dan de liveversie uit 1963. Ik vind het allemaal heerlijk.

Maar dan komt de muziek. En daar gaat het soms mis. Niet altijd, maar vaak genoeg om eerlijk te moeten zijn. Echte, pure, onversneden jazz — jazz voor mensen die bij het woord “improvisatie” niet zenuwachtig worden maar beginnen te glimmen — kan mij de muren opjagen. Dan begint iemand aan een solo, en vijf minuten later zit ik te wachten tot hij thuiskomt. Maar nee, hij neemt nog een zijstraat, klimt over een dak, belt onderweg aan bij een onbekende akkoordprogressie en verdwijnt vervolgens in een steegje waar alleen ingewijden nog een straatnaam van kennen.

En ik zit daar dan. Met goede wil en het nodige respect, oprecht verlangend om erbij te horen. Maar ook met de stille vraag: is dit nog muziek of ben ik getuige van een vergadering van briljante mensen die vergeten zijn mij de agenda te bezorgen?

Dat is het vreemde aan jazz. Ze trekt mij aan en duwt mij tegelijk weg. Ik wil bij die in-crowd horen, maar telkens wanneer ik denk dat ik binnen ben, blijkt er nog een achterkamer te zijn. En daar zitten dan mensen die Monk niet alleen begrijpen, maar ook kunnen uitleggen waarom precies die ene verkeerde noot eigenlijk de juiste was.

Ik knik dan alsof ik het begrijp. Dat is ook jazz. Doen alsof je het begrijpt in de hoop dat je het misschien ooit echt iets begint te voelen.

Toch geef ik niet op. Daarvoor is het genre te rijk, te raar en te intrigerend. Af en toe gebeurt er namelijk iets. Een trompettoon van Miles die door de kamer snijdt. Een pianofrase van Bill Evans die ineens blijft hangen. Een schorre adem van Coltrane die mij toch even uit mijn stoel licht. Een Chet Baker-moment waarop de wereld kleiner en zachter wordt.

Dan denk ik: zie je wel, ik wist dat er iets zat. En dan komt er weer een kwartier free jazz voorbij waarin iedereen blijkbaar op een andere verdieping van hetzelfde gebouw aan het spelen is en ik krijsend de muren oploop.

Misschien is dat precies de charme. Jazz is geen hond die kwispelend naar je toe komt. Jazz is een kat. Ze laat zich niet roepen. Ze komt wanneer ze wil. Soms gaat ze op je schoot liggen en denk je: eindelijk. Soms kijkt ze je vernietigend aan en verdwijnt ze weer onder de kast.

Misschien zal ik nooit een echte jazzliefhebber worden. Misschien blijf ik iemand die rond de tempel dwaalt, onder de indruk van de glasramen, de priesters en de wierook, maar die de mis zelf soms te lang vindt duren.

Maar ik blijf komen.

Omdat jazz mij blijft uitdagen. Omdat de mensen die haar gemaakt hebben meer zijn dan keurige biografieën. Omdat er in die muziek iets zit dat ik niet altijd begrijp, maar ook niet kan loslaten. Omdat ze soms hilarisch, soms ondraaglijk storend, soms bloedmooi en soms compleet ondoorgrondelijk is.

Jazz is geweldig. Alleen is de muziek er soms te veel aan.

- ONZE EXCLUSIEVE REEKS -spot_img

Abonneer je op ons Gratis Magazine en ontvang iedere woensdag de beste info, tips en leuke acties in jouw mailbox

Leestips

Mount Med Resort: een luxueuze gezondheidsreis in Tirol

Of ik zin heb om het nieuwe topklasse adults only Mount Med resort in Wildschönau uit te proberen? Als fan van de bergen, nieuwsgierig...

Een geschiedenis van Gent

spot_img
Rechtvaardige-Rechters retabel

11 april 1934 – De Rechtvaardige Rechters, het mysterie ontrafeld

In 1934 pleegde men een van de grootste kunstdiefstallen in de Belgische geschiedenis: de diefstal van "De Rechtvaardige Rechters", een paneel van het wereldberoemde...