Er wordt weleens beweerd dat babyboomers het rustig aan kunnen doen. Babyboomers, inderdaad, al spreken wij bij Boomager liever over boomagers. Dat klinkt niet alleen jonger, het vermijdt ook dat we voortdurend worden vergeleken met een naoorlogse geboortegolf waarvoor we persoonlijk nauwelijks verantwoordelijk kunnen worden gesteld. Boomagers dus, vergeet die babyboomers.
Rustig aan doen, alsof wij dat nog zouden kunnen. Kijk maar eens om je heen. De vijftig-, zestig- en zeventigplussers van vandaag fietsen, wandelen, zwemmen, reizen, verbouwen, tuinieren, fotograferen, schrijven boeken, volgen cursussen, leren Spaans, proberen hun wachtwoord van itsme te onthouden en leggen aan hun kinderen uit dat ze écht wel weten hoe een smartphone werkt. Totdat die smartphone plots vraagt of we alle cookies willen aanvaarden en we voor de zekerheid toch maar onze zoon bellen.
We zijn actief. Zeer actief zelfs. Soms zo actief dat we nauwelijks nog tijd hebben om te beseffen hoe actief we zijn.
We reizen naar steden waarvan we vroeger alleen de naam kenden uit de wereldatlas. We stappen in vliegtuigen, treinen, campers, cruiseschepen en elektrische fietsen. We wandelen over bergpaden die volgens de brochure “geschikt zijn voor iedereen”, waarna blijkt dat men met iedereen vermoedelijk een Nepalese berggeit bedoelde.
We willen blijven leren. Italiaans, kunstgeschiedenis, digitale fotografie, artificiële intelligentie, wijnproeven, mindfulness en hoe je zonder hulp van een kleinkind een foto van WhatsApp naar Facebook krijgt. We schrijven ons in voor cursussen die om negen uur ’s avonds eindigen en vragen ons tijdens de tweede les af waarom we niet gewoon thuis naar een herhaling van een Britse detective zitten te kijken.
We helpen onze kinderen, ook al zijn die al lang volwassen en vinden ze zelf dat ze onze hulp niet nodig hebben. Dat laatste belet ons niet om raad te geven. Een ouder houdt namelijk nooit helemaal op ouder te zijn. Het verschil is alleen dat je kinderen op hun twaalfde nog moesten luisteren en op hun veertig vriendelijk knikken terwijl ze toch hun eigen zin doen.
Sommigen van ons zorgen ook nog voor hun ouders. We zitten in die merkwaardige levensfase waarin we tegelijk advies geven aan onze kinderen en instructies krijgen van onze moeder van negentig. “Je moet een sjaal aandoen,” zegt ze wanneer het buiten vijftien graden is. En omdat je geen discussie wilt, doe je dat ook.
Daartussen liggen werk, vrijwilligerswerk, hobby’s, familiefeesten, doktersafspraken, boodschappen, administratie en het weer. Vooral het weer houdt ons bezig. Het is te warm, te koud, te nat, te droog of ongewoon zacht voor de tijd van het jaar. Nog nooit heeft iemand kunnen vaststellen wat gewoon zacht voor de tijd van het jaar precies betekent, maar iedereen begrijpt dat er iets niet klopt.
Ook de media helpen ons om bezig te blijven. Elke dag worden we gewaarschuwd dat we meer moeten bewegen, gezonder moeten eten, beter moeten slapen, onze hersenen moeten trainen, onze spieren moeten onderhouden en vooral sociaal actief moeten blijven. Wie al die adviezen nauwgezet opvolgt, heeft vermoedelijk geen tijd meer om oud te worden.
En uiteraard draagt Boomager daar zelf vrolijk toe bij. Wij vertellen onze lezers dat ze moeten blijven ontdekken, lezen, reizen, genieten, nadenken en deelnemen aan het leven. Wij publiceren artikels over actieve vijftigplussers die bergen beklimmen, bedrijven starten, marathons lopen, vrijwilligerswerk doen en op hun achtenzeventigste eindelijk saxofoon leren spelen.
Daar is op zichzelf niets mis mee. Integendeel. Het is veel beter dan het oude beeld van de oudere man die in een versleten kamerjas aan het raam zit en wacht tot iemand hem komt vertellen dat het eten klaar is.
Maar heel soms bekruipt mij een verdachte gedachte. Misschien wil ik vandaag helemaal niets ontdekken. Vandaag wil ik niet groeien, leren, presteren, bewegen of mezelf opnieuw uitvinden. En hoef ik niet geïnspireerd te worden. Inspiratie is prachtig, maar ze brengt meestal werk met zich mee. Voor je het weet heb je een nieuw doel, een stappenplan en een schrift waarin je elke avond moet opschrijven waarvoor je dankbaar bent.
Soms wil ik gewoon niets doen. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Nietsdoen vereist namelijk een verrassend grote discipline.
Je moet weerstand bieden aan alles wat dringend lijkt, terwijl het dat meestal niet is. Je moet de vaat kunnen zien staan zonder meteen op te springen. Je moet een boek kunnen neerleggen na drie bladzijden, niet omdat het slecht is, maar omdat zelfs lezen op dat moment verdacht veel op een activiteit begint te lijken.
Je moet op een stoel kunnen zitten zonder te denken dat je beter een wandeling zou maken. Je moet uit het raam kunnen kijken zonder de ramen te willen wassen. Je moet naar de tuin kunnen kijken zonder vast te stellen dat er dringend gesnoeid, gemaaid, geharkt of strategisch heringericht moet worden.
Vooral dat laatste is moeilijk. Een tuin is een geraffineerde samenzwering tegen het nietsdoen. Zodra je erin gaat zitten, zie je onkruid. Zodra je het onkruid uittrekt, zie je een struik die gesnoeid moet worden. Zodra je die struik hebt gesnoeid, ontdek je dat de tuinschaar eigenlijk geslepen moet worden. Drie uur later sta je bezweet in de garage met een handleiding in het Duits en weet je niet meer hoe de dag begonnen is.
Het echte nietsdoen vraagt daarom moed. Het is niet hetzelfde als televisie kijken, want dan volg je een verhaal. Het is niet hetzelfde als op sociale media zitten, want daar ben je voortdurend bezig met andere mensen die tonen hoe druk, gelukkig, verontwaardigd of culinair begaafd ze zijn. Het is ook niet hetzelfde als slapen. Slapen is nuttig. Nietsdoen heeft juist de charme dat het nergens nuttig voor hoeft te zijn.
Daar hebben we moeite mee gekregen. Alles moet tegenwoordig nut hebben. Een wandeling is goed voor het hart. Een kruiswoordraadsel traint de hersenen. Een glas rode wijn bevat misschien antioxidanten, al spreekt het volgende onderzoek dat ongetwijfeld weer tegen. Zelfs rusten moet bijdragen aan ons herstel, zodat we nadien opnieuw productief kunnen zijn.
Zalig nietsdoen begint pas wanneer je ook van dat doel afscheid neemt. Je rust niet om straks harder te werken. Je zit niet stil om daarna scherper te denken. Je kijkt niet naar de wolken omdat dat goed is voor je mentale gezondheid. Je doet het omdat wolken voorbijdrijven en jij toevallig nergens naartoe hoeft.
Dat is misschien de meest onderschatte luxe van onze tijd: nergens naartoe hoeven. Niet naar de winkel of naar een vergadering. Godbetert evenmin naar een familiefeest waar je naast iemand wordt gezet die uitvoerig wil uitleggen waarom alles vroeger beter was. Niet naar een lezing over hoe je meer uit je leven kunt halen. Zelfs niet naar de keuken om koffie te zetten, al blijft dat laatste een moeilijk offer.
Gewoon blijven zitten. De eerste minuten voelt dat onnatuurlijk. Je hoofd begint meteen een lijst op te stellen. Er moeten mails worden beantwoord. Er ligt nog administratie. Iemand verwacht een telefoontje. Er is vast iets dat je vergeten bent. Je hersenen gedragen zich als een zenuwachtige conciërge die voortdurend controleert of alle deuren wel gesloten zijn.
Maar na een tijdje gebeurt er iets merkwaardigs. De wereld draait verder. De mails blijven rustig in de mailbox liggen. De administratie loopt niet weg. Niemand belt de politie omdat je een uur niets hebt gepresteerd. Zelfs de afwas accepteert zijn lot met meer waardigheid dan je had verwacht.
En dan komt er ruimte, niet noodzakelijk voor grote inzichten. Dat is opnieuw zo’n valkuil: denken dat nietsdoen tot een briljant idee moet leiden. Meestal denk je gewoon aan een oud liedje, een vergeten vakantiedag, iemand die je al lang niet meer hebt gezien of aan de vraag waarom sokken altijd met twee de wasmachine ingaan en er alleen weer uitkomen.
Dat is voldoende. Misschien is nietsdoen zelfs een kleine vorm van verzet. Tegen de agenda, tegen de stappenteller, tegen de meldingen op de telefoon en tegen de voortdurende druk om van elk resterend levensjaar een spectaculair succes te maken.
Wij boomagers hoeven niet elke dag te bewijzen dat we nog meetellen. We tellen ook mee wanneer we op een bank zitten. We zijn niet minder interessant wanneer we eens geen nieuwe cursus volgen, geen verre reis plannen en geen persoonlijk record verbreken.
Activiteit is prachtig. Nieuwsgierigheid houdt ons wakker. Engagement maakt het leven rijker. Maar wie altijd bezig is om het leven ten volle te benutten, loopt het risico te vergeten dat het leven soms gewoon naast hem zit.
Misschien moeten we daarom af en toe bewust een afspraak met niets maken. Zonder agenda, zonder voorbereiding en zonder evaluatie achteraf. We hoeven er zelfs geen foto van te plaatsen. Dat zou pas revolutionair zijn: iets doen — of beter gezegd, iets niet doen — zonder het aan iemand te laten zien. Vandaag ga ik het proberen. Ik ga in mijn stoel zitten, mijn telefoon opzijleggen en helemaal niets doen. Geen boek, geen muziek, geen nieuws en vooral geen artikel over hoe heilzaam nietsdoen is.
Al vrees ik dat ik daar nu te laat mee ben.
Ik heb er zonet een hele column over geschreven.

















