Foto Leif Hoste door dr.T – wikipedia
Gisteren verscheen in de krant Het Laatste Nieuws een twee-bladzijden-lange reportage met en over ex-renner Leif Hoste (die ook in het VTM-journaal te zien was), een uitstekende profcoureur die zijn mooiste prestaties op de fiets afleverde in het begin van deze eeuw. Op zijn palmares schreef hij onder meer drie tweede plaatsen in de Ronde van Vlaanderen.
Ik heb, als journalist en net voor mijn pensioen, nog wel wat met hem gewerkt en hem leren kennen als een blijkbaar evenwichtige, redelijk stille man, die zonder veel tralala door het leven ging. Het heeft me dan ook wel verbaasd dat net die kerel diep in de miserie is geraakt na het einde van zijn best geslaagde sportcarrière. Hij bekende, in het ophefmakende artikel, dat hij in een diepe inzinking is geraakt, wat leidde tot een overmatig drankmisbruik, zijnde drie flessen wodka per dag. Wie denkt dat zoiets niet mogelijk is, kan ik met klem tegenspreken. In mijn naaste familie heb ik iemand tot in de dood weten wegkwijnen na jarenlang dagelijks drinken van twee zulke flessen, ook per dag natuurlijk. Waarbij de vraag kan gesteld worden waarom net die sterke drank op het menu van de echte alcoholverslaafde staat. Eenvoudig: omdat het niet te ruiken is dat je er daar zo’n hoog aantal borrels van binnen giet.
Nu komt het wel vaker voor dat topsporters, en niet alleen coureurs, zwaar in de problemen geraken na het einde van hun loopbaan, op de fiets of op het terrein. Ze stoppen daarmee op een leeftijd, waarop andere mensen nog steeds evolueren naar het beste niveau in de carrière. En voor de mannen die al veel geld verdienden met wat als hun hobby begon, is dan het voornaamste uit hun bestaan al voorbij. Dat er ineens geen hoge bedragen meer op hun rekeningen verschijnen, is daarbij niet van het grootste belang. Over het algemeen hebben de toppers uit de laatste generaties genoeg opzijgezet om nog gedurende een behoorlijk lange termijn rond te komen. Daar zit hem het probleem dus niet, wel in de tijd en in de aandacht die aan hen besteed wordt. Topsporters zijn over het algemeen van 1 januari tot 31 december met hun job bezig, van in de ochtend tot aan het vroege slapengaan. Zij hebben amper de tijd om interesse op te brengen voor andere zaken dan hun koersen en hun kampen. De eega’s zijn er enkel om te koken en kledij te wassen, de nakomelingen laten hen enkel maar een paar vrolijke momenten beleven en niet eens een bevuilde luier vervangen. Ze nu eens naar school brengen of ervan ophalen is dan wel voor even plezant, temeer dat ze dan toch nog eens herkend worden als gewezen topfiguur in de maatschappij, wat elders amper nog gebeurt. Maar daarmee zijn de dagen nog niet gevuld, dagen die, zeer in tegenstelling tot voorheen, dan ook in alle eenzaamheid worden doorgebracht. Want die nakomelingen zijn intussen groot genoeg geworden om ‘hun plannetje te trekken’, terwijl de mama nu eindelijk ook eens gelegenheid krijgt om te doen wat in jaren niet meer gelukt was, wat wil zeggen eindelijk aan het werk beginnen waarvoor ze eerder misschien en gedurende een behoorlijk lange tijd gestudeerd had.
En zo blijft de eega-kampioen dan dagen en dagen na mekaar alleen achter thuis, met als enige bezigheid de krant lezen en nadenken wat hij in de naaste toekomst als job zou willen of kunnen uitoefenen, maar wat voor die mensen niet zo gemakkelijk om vinden is. Want hoe vervang je zo’n zware, maar oh zo aangename bezigheid als die van topsporter?
Ik heb er, tijdens mijn leven als journalist, toch wel enkele gekend die daardoor helemaal van de goede weg zijn afgeraakt: breuk met de echtgenote, de kinderen die nog amper naar hem omkijken, wat ze met de mama ook al eens doen, maar die vindt dat dan niet zo erg, omdat ze jaren en jaren alleen en vaak prettig met hen heeft samengeleefd heeft. En vooral: nergens nog echt plezier vinden in het werk, dat nooit of nooit zo boeiend kan zijn dan strijden voor de overwinning of de ereplaatsen.

In het najaar van 2020 leverde ik nog een dik boek af over de koers, om te besluiten van dan af alleen nog maar fictie te schrijven. Ik bleef trouw aan die planning, met een uitzondering. Niet lang nadat ik mij in die nieuwe (en laatste) carrière had gelanceerd, bracht ik toch nog een roman op de markt met een coureur als hoofdpersonage. ‘Kampioen geweest’ – uitgeverij Partizaan (*) heet dat werk dat gaat over een topper die ook verloren loopt in de ruimte, ontstaan na de laatst gereden wedstrijd. Het is ook een verhaal van glorie en verval.
Robert Janssens
Dit boek is hier verkrijgbaar: https://www.partizaan.be/boeken-online//kampioen-geweest.html
















